Selecteer een pagina

HR 27 april 2012, LJN BV5560 (X c.s./Deloitte Belastingadviseurs)

Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de enig aandeelhouder van een groot bedrijf en zijn kinderen behoren tot de in art. 6:235 BW bedoelde personen, die geen beroep kunnen doen op de vernietigingsgronden van art. 6:233 en 234 BW.

De enig aandeelhouder van een groot makelaars- en assurantiekantoor heeft zich tot belastingadvieskantoor Deloitte gewend voor advies over de herstructurering van zijn bedrijf, met het oog op deelname van zijn kinderen daarin. Deloitte heeft geadviseerd (een deel van) de aandelen van het bedrijf – kort gezegd – te schenken aan de kinderen. Aan dit advies is uitvoering gegeven. In de brief bij het advies werd verwezen naar de algemene voorwaarden van Deloitte.

In deze procedure stellen de enig aandeelhouder, de kinderen en hun vennootschappen Deloitte aansprakelijk voor de schade die zij stellen te hebben geleden ten gevolge van het (in hun ogen ondeugdelijke) advies. Volgens eisers heeft Deloitte nagelaten erop te wijzen dat een schenking van aandelen een uit fiscaal oogpunt relatief dure oplossing was en dat de zogenaamde holdingvariant fiscaal voordeliger en gebruikelijker was.

Deloitte heeft zich verweerd met (onder meer) een beroep op een vervalbeding in haar algemene voorwaarden. Eisers hebben hier tegen ingebracht dat zij de algemene voorwaarden niet ter hand gesteld hebben gekregen.

Art. 6:233 sub b BW verklaart een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien de gebruiker aan de wederpartij niet “een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen”, meer in het bijzonder door deze (bijvoorbeeld) op de voet van art. 6:234 lid 1 BW ter hand te stellen. Blijkens art. 6:235 lid 1 BW kan op deze vernietigingsgrond geen beroep worden gedaan door (a) rechtspersonen in de zin van art. 2:360 BW en (b) professionele partijen met minimaal vijftig man personeel.

In casu oordeelde het Haagse hof dat eisers Deloitte niet voldoende tijdig aansprakelijk hadden gesteld, zodat het beroep van Deloitte op het vervalbeding in haar algemene voorwaarden opging. Ter nadere onderbouwing overwoog het hof dat eisers als “professionele marktpartij” in de zin van art. 6:235 BW kwalificeerden en dat hun daarom geen beroep op de vernietigingsgronden van art. 6:233 en 6:234 BW toekwam.

In cassatie klagen eisers dat de enig aandeelhouder van het bedrijf en zijn kinderen (als natuurlijke personen zonder personeel) wel degelijk onder het beschermingsbereik van de bedoelde vernietigingsgronden vielen. Deze klacht slaagt. Volgens de Hoge Raad valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom de enig aandeelhouder en zijn kinderen ten tijde van de opdracht tot advisering aan Deloitte behoorden tot de in art. 6:235 lid 1 BW bedoelde personen. Ook Advocaat-Generaal Spier concludeerde – met enige tegenzin (vgl. zijn conclusie, sub 3.29.1) – tot vernietiging, omdat ’s hofs oordeel op dit punt volgens hem “onmiskenbaar onjuist” was (sub 3.5).

Share This