HR 7 juni 2013, LJN BZ3670 (Wasserij De Blinde en Phrontos/Achmea Schadeverzekeringen)

De enkele omstandigheid dat de verzekeraar niet heeft gemotiveerd dat en waarom hij – bij overgang van het verzekerde belang – de nieuwe verzekerde zou hebben geweigerd, als deze tijdig om voortzetting van de verzekering zou hebben verzocht, is onvoldoende om een beroep op beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te doen zijn. Het hof heeft echter geen kenbare aandacht besteed aan de overige, door de (nieuwe) verzekerde aangevoerde omstandigheden en dus is zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.

Verzekering volgt belang

In het verzekeringsrecht geldt de hoofdregel dat de verzekering het belang volgt dat aan de zaak kleeft. Als de eigendom van een verzekerde zaak overgaat op een ander, dan blijft die zaak dus verzekerd ten bate en ten laste van de nieuwe eigenaar. Deze nieuwe eigenaar moet echter wel binnen een zekere termijn aan de verzekeraar kenbaar maken of hij inderdaad de verzekeringsovereenkomst wil voortzetten. Bij gebreke daarvan vervalt de verzekeringsovereenkomst. Met deze regeling wordt de verzekeraar ertegen beschermd dat hij buiten zijn wil wordt geconfronteerd met een nieuwe verzekerde en daarmee (mogelijk) met een gewijzigd risico. Om die reden komt de verzekeraar ook een opzeggingsrecht toe.

In het nieuwe verzekeringsrecht (geldig per januari 2006) is dit uitdrukkelijk geregeld in art. 7:948 BW. Ook naar het – in deze zaak toepasselijke – oude verzekeringsrecht (art. 263 Wetboek van Koophandel (oud)) gold de hoofdregel dat de verzekering het verzekerde belang volgt. Art. 263 WvK bevatte echter geen regeling van verval van de verzekering na ommekomst van een bepaalde termijn, zoals in het huidige art. 7:948 lid 2 BW. Art. 263 WvK was echter (ook) van regelend recht, zodat de verzekeraar anders kon overeenkomen. In de praktijk bevatten veel verzekeringsovereenkomsten dan ook een met het huidige art. 7:948 lid 2 BW vergelijkbare regeling om automatische overgang van de verzekering in de tijd te beperken.

Wasserij De Blinde

Ook in deze zaak bevatte de verzekeringsovereenkomst tussen Wasserij De Blinde B.V. en Achmea Schadeverzekeringen de bepaling dat bij overgang van het verzekerde belang (het bedrijfsgebouw) de verzekeringsovereenkomst gedurende 30 dagen van kracht bleef ten bate van de nieuwe eigenaar. De verzekering zou ook na ommekomst van die termijn doorlopen als de nieuwe eigenaar binnen die termijn een daartoe strekkende mededeling deed, tenzij de verzekeraar besloot de verzekeringsovereenkomst te beëindigen, aldus art. 14 van de toepasselijke Bijzondere Voorwaarden.

Het bedrijfsgebouw van de Wasserij is op 29 december 2005 volledig afgebrand. Ongeveer een half jaar daarvoor was de eigendom daarvan overgegaan op Phrontos B.V., de moedermaatschappij van de Wasserij. Van deze rechtsovergang was echter geen melding gedaan, noch van de wens van Phrontos om de verzekering voort te zetten. Wel had Wasserij De Blinde de verzekeringspremies doorbetaald. Achmea weigert dekking onder de verzekering, met een beroep op art. 14.

Redelijkheid en billijkheid

Wasserij De Blinde en Phrontos beroepen zich op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW): het beroep van Achmea op art. 14 van de Bijzondere Voorwaarden is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Zij vinden gehoor bij de rechtbank, die doorslaggevend acht dat Achmea in het geheel geen argumenten heeft aangedragen op grond waarvan gerechtvaardigd zou zijn dat Achmea zou hebben geweigerd Phrontos als nieuwe verzekerde te accepteren, zou zij wel tijdig toestemming hebben gevraagd.

Volgens het hof heeft de rechtbank echter te weinig betekenis gehecht aan het feit dat Phrontos die toestemming nu eenmaal niet heeft gevraagd. Daarmee kon – ook na de 30-dagentermijn – de situatie voortduren waarin de verzekeraar niet op de hoogte is van de overgang van het verzekerde belang en dus geen wilskeuze kan maken ten aanzien van de acceptatie van de nieuwe verzekerde. Het hof ziet niet in dat een verzekeraar onredelijk of onbillijk handelt door in zo’n situatie de nieuwe belanghebbende te weigeren.

Dit oordeel wordt door de Hoge Raad vernietigd. De Hoge Raad stelt voorop dat het de verzekeraar in het algemeen vrijstaat een beroep te doen op beëindiging van de verzekeringsovereenkomst bij overgang van het verzekerde belang. Een beroep op een daartoe strekkende bepaling is niet onaanvaardbaar op de enkele grond dat de verzekeraar niet heeft gemotiveerd dat hij de derde als nieuwe verzekerde zou hebben geweigerd. Deze omstandigheid is één van de omstandigheden die bij de beoordeling  van een beroep op art. 6:248 lid 2 BW – waarbij alle omstandigheden van het concrete geval een rol spelen – kan worden meegewogen (rov. 3.3.2).

De Wasserij en Phrontos hebben hun beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid verder onderbouwd door erop te wijzen dat de overgang van de verzekerde bedrijfsgebouwen feitelijk geen enkele relevante wijziging heeft teweeggebracht, noch op het moment van de overgang, noch nadien. Zij wijzen op het concernverband van de beide vennootschappen, op het feit dat de premie steeds is doorbetaald en dat geen sprake is geweest van een hoger risico. Omdat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan deze omstandigheden, heeft het zijn beslissing onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd (rov. 3.3.3).

Niettegenstaande de suggestie van A-G Spier om de zaak zelf af te doen (z.i. kan de conclusie geen andere zijn dan dat Achmea, gelet op de door de Wasserij en Phrontos aangevoerde omstandigheden, te weinig heeft gesteld om een beroep op art. 6:248 lid 2 BW af te weren; zie onderdelen 3.27 en 5.1 van zijn conclusie), verwijst de Hoge Raad de zaak naar het Hof Den Bosch. De verwijzingsrechter zal, met inachtneming van alle aangevoerde omstandigheden, moeten beoordelen of de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Share This