HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:274

De (inmiddels vervallen) risicoverzwaringsregeling van art. 293 (oud) WvK is van regelend recht, zodat een daarvan afwijkende regeling in de polisvoorwaarden prevaleert.

Eiser tot cassatie had via verweerder in cassatie als assurantietussenpersoon een boerderij tegen brand verzekerd bij NH. Nadat de boederij in 2010 was afgebrand, heeft NH dekking geweigerd op de grond dat eiser (1) bij het aangaan van de polis een verkeerde opgave zou hebben gedaan en (2) de mededelingsplicht omtrent risicoverzwarende omstandigheden zou hebben geschonden. Het bleek namelijk dat eiser zijn boerderij (van meet af aan) aan een derde had verhuurd, die er een illegale hennepkwekerij in exploiteerde. De brand was, zo stelde de verzekeraar, zeer waarschijnlijk door die hennepkwekerij ontstaan.

In dit geding stelt eiser verweerder als assurantietussenpersoon aansprakelijk voor de niet-gedekte brandschade, daartoe stellende dat verweerder zijn zorgplicht heeft geschonden door (1) de elektronische vragenlijst bij het aangaan van de verzekering verkeerd in te vullen en (2) geen maatregelen te nemen met het oog op de naleving van de mededelingsplicht omtrent risicoverzwarende omstandigheden.

Het hof wees de vordering af bij gebrek aan causaal verband. Volgens het hof had NH namelijk hoe dan ook dekking kunnen weigeren (dus ook bij een juiste opgave en tijdige melding van de verhuur), omdat de aanwezigheid van de hennepkwekerij een bestemmingswijziging opleverde die tot verval van de verzekering zou hebben geleid. Het hof baseerde zich in dit verband op de (met ingang van 1 januari 2006 vervallen, maar in deze zaak nog toepasselijke) risicoverzwaringsregeling van art. 293 (oud) WvK, luidende:

“Indien een verzekerd gebouw eene ander bestemming verkrijgt en daardoor aan meerder brandgevaar wordt blootgesteld, zoo dat de verzekeraar, indien zulks vóór de verzekering had bestaan, hetzelve of in het geheel niet, of niet op dezelfde voorwaarden, zoude hebben verzekerd, houdt deszelfs verplichting op.”

Volgens het hof volgde hetzelfde (verval van dekking) ook uit art. 7 van de hier toepasselijke polisvoorwaarden, dat voor zover relevant luidde:

“Artikel 7 – Wijziging van het risico

Verzekeringsnemer is verplicht de maatschappij zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 maanden (tenzij verzekeringsnemer van het optreden van een hier genoemde wijziging niet op de hoogte was en bewijst dat hij dat redelijkerwijs ook niet kon zijn) na het intreden van de risicowijziging, schriftelijk in kennis te stellen van (…)

– wijziging van bestemming, waaronder mede wordt verstaan het aan derden, al dan niet op grond van een huurovereenkomst, in gebruik geven van het woonhuis (…).

(…) Blijft een melding van de risicowijziging binnen de genoemde termijn achterwege dan eindigt de verzekering van rechtswege, d.w.z. zonder dat een nadere kennisgeving daarvan is vereist, onmiddellijk na het verstrijken van de genoemde termijn van 2 maanden en vervalt elk recht op schadevergoeding, tenzij de verzekering ook na de melding zou zijn voortgezet. (…).”

Eiser had zich verweerd met de stelling dat hij niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de hennepkwekerij, hetgeen hij had onderbouwd met een bij akte in het geding gebrachte verklaring (van hemzelf). Het hof was daaraan voorbijgegaan met de overweging dat eiser niet had aangevoerd “welke consequenties hij hieraan voor de uitleg van artikel 7 verbindt”.

In cassatie klaagt eiser dat het hof de gevolgen van de risicoverzwaring uitsluitend aan de polisvoorwaarden, en niet (mede) aan art. 293 (oud) WvK had moeten toetsen. In het verlengde hiervan klaagt eiser dat hij wel degelijk consequenties heeft verbonden aan zijn beroep op onbekendheid met de hennepkwekerij, namelijk de consequentie dat art. 7 van de polisvoorwaarden hier niet tot verval van dekking leidt.

De klachten slagen. In navolging van de door A-G Van Peursem besproken verzekeringsrechtelijke literatuur (conclusie, sub 2.11 en voetnoot 9) stelt de Hoge Raad in r.o. 3.4.2 voorop dat de regeling van art. 293 (oud) WvK van regelend recht is (was). De Hoge Raad leest het beroep van eiser op onbekendheid met de hennepkwekerij aldus dat hij zich erop heeft beroepen dat art. 7 van de polisvoorwaarden een van art. 293 (oud) WvK afwijkende regeling bevat over de gevolgen van risicoverzwaring, inhoudend dat de dekking niet vervalt indien de verzekerde niet op de hoogte was of redelijkerwijze kon zijn van de risicoverzwaring (vergelijk de hierboven geciteerde tenzij-clausule van art. 7 tussen haakjes).

In het licht hiervan is onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd dat het hof de gevolgen van de risicoverzwaring (mede) aan art. 293 (oud) WvK heeft getoetst (r.o. 3.4.2). Ook is onbegrijpelijk dat het hof het beroep van eiser op zijn onbekendheid met de hennepkwekerij niet heeft opgevat als een beroep op de in art. 7 van de polisvoorwaarden vervatte uitzondering op de verplichting om de verzekeringsmaatschappij in kennis te stellen van een bestemmingswijziging (r.o. 3.5.2).

A-G Van Peursem vond (ook) dat de motivering van het hof “best beter had gekund” (conclusie, sub 2.19), maar concludeerde tot verwerping omdat eiser volgens hem zijn beroep op onbekendheid met de hennepkwekerij onvoldoende had onderbouwd, door uitsluitend een eigen verklaring in het geding te brengen (conclusie, sub 2.19 en 2.23). Na verwijzing zal alsnog aan de orde kunnen komen of eiser daadwerkelijk wist noch behoorde te weten van de hennepkwekerij.

Share This