Selecteer een pagina

HR 21 oktober 2022 ECLI:NL:HR:2022:1515

Nu de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling heeft gecontroleerd of de zorgverantwoordelijke zelf tot de aanvraag had beslist, en dat het geval was, kon de rechtbank oordelen dat voldaan was aan het vereiste van een door de zorgverantwoordelijke gemotiveerde aanvraag als bedoeld in art. 8:12 lid 3 Wvggz.

Achtergrond

Tijdens de looptijd van een zorgmachtiging is in korte tijd tot drie keer beslist verplichte zorg te verlenen waarin de machtiging niet voorzag. Tussen de tweede en de derde keer heeft de officier van justitie verzocht om wijziging van de machtiging. Bij dat verzoekschrift was onder meer gevoegd de aanvraag van de zorgverantwoordelijke, die “per order” was ondertekend. De rechtbank had daarover overwogen dat tijdens de mondelinge behandeling voldoende duidelijk was geworden dat door de zorgverantwoordelijke zelf tot de aanvraag is beslist. De enkele omstandigheid dat, gelet op de grote tijdsdruk die op de aanvraag stond, ervoor is gekozen een ander “per order” (dus: in opdracht van de zorgverantwoordelijke) te laten ondertekenen, doet aan de vaststelling dat sprake is van een “door de zorgverantwoordelijke gemotiveerde aanvraag” volgens de rechtbank niet af. De rechtbank verklaarde betrokkene verder niet-ontvankelijk in zijn verzoek om schadevergoeding.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt allereerst dat betrokkene niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep wat betreft de schadevergoeding (art. 358 lid 1 Rv).

Verder oordeelt de Hoge Raad dat juist is dat de drie dagentermijn van art. 8:12 lid 1 Wvggz na de eerste beslissing tot verplichte zorgverlening die niet onder de machtiging viel, was verstreken, maar dat kan niet tot cassatie leiden. De overschrijding van de maximale duur van de tijdelijke verplichte zorg kan aan de orde worden gesteld in het kader van het verzoek om schadevergoeding.

Verder wijst de Hoge Raad de klacht over de aanvraag “per order” van de hand:

“4.2.2
Art. 8:12 lid 3 Wvggz houdt in dat een zorgverantwoordelijke die van oordeel is dat de tijdelijke verplichte zorg moet worden voortgezet na de in art. 8:12 lid 1 Wvggz bedoelde maximumperiode van drie dagen, tot die voortzetting uitsluitend kan beslissen indien de geneesheer-directeur een door de zorgverantwoordelijke gemotiveerde aanvraag tot wijziging van de lopende machtiging, voorzien van zijn advies daarover, bij de officier van justitie heeft ingediend.

4.2.3
In de procedure bij de rechtbank is namens betrokkene in twijfel getrokken of was voldaan aan het hiervoor in 4.2.2 genoemde vereiste van ‘een door de zorgverantwoordelijke gemotiveerde aanvraag’, nu de desbetreffende aanvraag ‘per order’ was ondertekend door een ander dan de zorgverantwoordelijke. Daarop heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling gecontroleerd of de zorgverantwoordelijke zelf tot de aanvraag had beslist, en geoordeeld – in cassatie niet bestreden – dat dat het geval was. Daarmee kon de rechtbank oordelen dat voldaan was aan het vereiste van een door de zorgverantwoordelijke gemotiveerde aanvraag als bedoeld in art. 8:12 lid 3 Wvggz. (…)”.

Volgt niet-ontvankelijkverklaring in het beroep voor zover dit is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het verzoek om schadevergoeding, en verwerping van het beroep voor het overige.

Share This