Selecteer een pagina

HR 29 januari 2021 ECI:NL:HR:2021:158

Het staat de rechter niet vrij om in de zorgmachtiging een vorm van verplichte zorg op te nemen die niet door de officier van justitie is verzocht.

De zaak ging over het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een zorgmachtiging. In de weergave van de rechtbank had de psychiater ter zitting verklaard dat de zorgvorm van insluiten per abuis niet als verplichte vorm van zorg is gevorderd in het verzoekschrift. De rechtbank had vervolgens onder meer overwogen van oordeel te zijn dat naast de in het verzoekschrift gevorderde vormen van zorg ook het “insluiten” als vorm van verplichte zorg noodzakelijk is. Het middel klaagde dat de rechtbank aldus de grondslag van het verzoekschrift van de officier had verlaten.

De Hoge Raad honoreert deze klacht. De Hoge Raad herhaalt allereerst dat op deze procedure over een zorgmachtiging in aanvulling op hetgeen uit de Wvggz voortvloeit, de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing zijn. Het staat de rechter niet vrij om meer toe te wijzen dan verzocht (art. 23 Rv), tenzij de Wvggz anders bepaalt. De Hoge Raad stelt vast dat de Wvggz hier niet iets anders bepaalt dan art. 23 Rv inhoudt. Op grond van art. 23 Rv geldt daarom dat het de rechter niet vrijstaat om in de zorgmachtiging een vorm van verplichte zorg op te nemen die niet door de officier van justitie is verzocht. De Hoge Raad ziet geen grond vooruit te lopen op een wetsvoorstel waarin is voorgesteld de wet aldus te wijzigen dat de rechter andere vormen van verplichte zorg in de zorgmachtiging kan opnemen dan de officier van justitie heeft verzocht.

Eerder, in  het Hoge Raad arrest van 5 juni 2020, besproken in CB 2020-83, was een op het eerste gezicht vergelijkbare kwestie aan de orde, waarbij een klacht over deze kwestie echter niet tot vernietiging leidde. Dat hangt er vermoedelijk mee samen dat in die zaak de officier van justitie een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel had verzocht en daarbij had voorgesteld daarin bepaalde vormen van verplichte zorg op te nemen. Kennelijk, aldus de Hoge Raad in die zaak, heeft de rechtbank het verzoek van de officier zo opgevat dat deze slechts een voorstel deed ten aanzien van de in de machtiging op te nemen vormen van verplichte zorg, maar zijn verzoek niet heeft beperkt tot de door hem genoemde vormen van verplichte zorg. Dat was volgens de Hoge Raad een feitelijke en niet onbegrijpelijke uitleg van het verzoekschrift. Het is duidelijk dat de rechtbank in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 29 januari 2021 het verzoekschrift niet zo heeft opgevat, gelet op de hiervoor aangehaalde en gecursiveerde bewoordingen, over de door de officier van justitie gevorderde vormen van zorg.

Volgt vernietiging en terugverwijzing.

Share This