HR 21 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3350 (Liander / KWS)

De vordering uit hoofde van schending van de zorgplicht (art. 6:162 BW) stoelt op verwijten van andere aard dan die welke verband houden met het gebruik van schepen (en daarmee gelijkgestelde voorwerpen). Van samenloop van rechtsvorderingen tegen dezelfde persoon is dus geen sprake. De door de opdrachtgever jegens de (hoofd)aannemer ingestelde rechtsvordering kan dan ook niet worden aangemerkt als een rechtsvordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door een voorval als bedoeld in art. 8:1793 BW, zodat de daarin vervatte verjaringstermijn van twee jaar niet van toepassing is.

Enkele feiten

De provincie Noord-Holland heeft in 2000 aan een combinatie van KWS en een derde opdracht gegeven tot beschoeiing aan de oever van de Vecht te Weesp. De opdrachtnemers hebben de opdracht uitbesteed aan een onderaannemer. Eind 2000 heeft deze onderaannemer met een rupskraan vanaf een ponton beschoeiingspalen aangebracht.

Op 11 augustus 2004 is een storing geconstateerd in een hoogspanningskabel op de plaats waar de beschoeiing is aangebracht. Die kabel wordt beheerd door Liander. In cassatie is uitgangspunt dat de schade is veroorzaakt doordat te lange beschoeiingspalen zijn gebruikt.

Rechtbank en hof

Ruim twee jaar na het schadevoorval, maar binnen vijf jaar, heeft Liander van KWS op de voet van art. 6:162 BW vergoeding gevorderd van de schade. Liander heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat KWS haar jegens Liander bestaande zorgplicht heeft geschonden door zich er niet van te vergewissen waar zich ondergrondse kabels bevonden en er onvoldoende op toe te zien dat de onderaannemer met de aanwezigheid van kabels rekening hield.

KWS heeft zich verweerd met een beroep op verjaring. Rechtbank en hof hebben dit verweer gehonoreerd. Een ponton is een binnenschip in de zin van art. 8:1000 BW, zodat de korte verjaringstermijn van twee jaar na het voorval van toepassing is (art. 8:1793 BW). Het hof heeft daarbij gewezen op het Zwartemeerarrest (naar de naam van het binnenschip in HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1414 NJ 2007/621). In de zaak die leidde tot dat arrest had Essent een aannemer eveneens op de voet van art. 6:162 BW aansprakelijk gesteld voor schade aan een gasleiding, veroorzaakt door baggerwerkzaamheden met een kraanschip. In die zaak was sprake van samenloop van aanvaring en onrechtmatige daad. De Hoge Raad oordeelde dat de omstandigheid dat voor een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad een langere verjaringstermijn geldt (art. 3:310 BW) dan voor een vordering tot schadevergoeding uit aanvaring (art. 8:1793 BW) met zich brengt dat de wettelijke regeling van aanvaring exclusief van toepassing is. De korte verjaringstermijn zou anders zinloos zijn. Het hof meende daarom dat Liander de korte verjaringstermijn tegen zich moest laten gelden, omdat sprake was van schadevaring. Dat de schade was veroorzaakt door een onderaannemer, maakte dat volgens het hof niet anders.

Het oordeel van de Hoge Raad

In cassatie is niet bestreden dat in deze zaak sprake is van schadevaring. De Hoge Raad wijst er evenwel op dat de vordering die Liander tegen KWS heeft ingesteld, stoelt op verwijten van andere aard dan die welke verband houden met het gebruik van schepen en daarmee gelijkgestelde voorwerpen. Zou de onderaannemer niet hebben gekozen voor het gebruik van het ponton, maar de werkzaamheden vanaf de wal hebben uitgevoerd, dan zouden de verwijten aan het adres van KWS niet anders hebben geluid. Door te overwegen dat van het ponton is geheid en de aanwezigheid daarvan niet als een toevallige omstandigheid kan worden aangemerkt, heeft het hof volgens de Hoge Raad miskend dat de aanwezigheid van het ponton geen rol speelt in de schadeveroorzaking die aan de vordering ten grondslag is gelegd. Die vordering betreft immers niet een oorzaak aan boord van een binnenschip.

Van samenloop van rechtsvorderingen tegen dezelfde persoon als bedoeld in het Zwartemeerarrest is volgens de Hoge Raad dus geen sprake. De door Liander jegens KWS ingestelde rechtsvordering kan dan ook niet worden aangemerkt als een rechtsvordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door een voorval als bedoeld in art. 8:1793 BW.

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof.

Share This