Selecteer een pagina

HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1628

Art. 6:101 lid 1 BW schrijft een causaliteitsafweging voor en biedt de mogelijkheid om een billijkheidscorrectie toe te passen. Het hof heeft zowel de causaliteitsafweging verricht als de billijkheidscorrectie toegepast, en heeft in dat laatste verband de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval in zijn oordeelsvorming betrokken. Mede in het licht van hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd, heeft het hof aldus zijn oordeel over de vermindering van de vergoedingsplicht voldoende inzichtelijk gemaakt.

Achtergrond

In deze zaak stelt een Nederlandse varkenshouder schade te hebben geleden door toedoen van een Ierse producent van anticonceptiepillen. Van deze producent afkomstig afval, bestaande uit suikerwater dat was verontreinigd met een hormoon, is via een Ierse tussenpersoon naar een Belgisch bedrijf overgebracht en vervolgens terecht gekomen in het voer voor varkens van Nederlandse varkenshouders. Fokzeugen hebben hierdoor vruchtbaarheidsproblemen gekregen. De varkens die dit voer hebben gegeten zijn door de overheid als ongeschikt voor menselijke consumptie aangemerkt en geruimd. In cassatie is nog in geschil in hoeverre de schade die daardoor is ontstaan, dient te worden toegerekend aan de producent van het afval of, geheel dan wel gedeeltelijk, aan de varkenshouder zelf.

Hof: 30% aansprakelijk, 70% voor eigen rekening

Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat de schade zich niet zou hebben voorgedaan indien het onrechtmatig handelen van de producent achterwege was gebleven, maar dat de schade zich evenmin zou hebben voorgedaan indien de varkenshouder de vereiste zorgvuldigheid zou hebben betracht.

Het hof heeft vervolgens in het eindarrest de maatstaf van art. 6:101 BW aangehaald. Het hof heeft geoordeeld dat – “alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de ernst en verwijtbaarheid van de fouten/nalatigheden aan weerszijden” – de schadecomponenten over partijen moeten worden verdeeld in de verhouding waarbij als uitgangspunt de producent voor 30% aansprakelijk is en dus 70% van de schade voor eigen rekening van de varkenshouder blijft.

Cassatie

In cassatie klagen zowel de producent als de varkenshouder over dit eindoordeel van het hof. De Hoge Raad stelt eerst de toepasselijke maatstaf voorop:

“De rechter dient in de motivering van zijn oordeel over de vermindering van de vergoedingsplicht voldoende duidelijk tot uitdrukking te brengen dat hij de door art. 6:101 lid 1 BW voorgeschreven causaliteitsafweging heeft verricht, of, en zo ja in hoeverre, hij de in die bepaling bedoelde billijkheidscorrectie heeft toegepast, en in dat laatste verband op welke wijze hij de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Of de gegeven motivering voldoende inzichtelijk is, hangt mede af van hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd. Verder geldt dat zowel de causaliteitsafweging als de eventuele toepassing van de billijkheidscorrectie is verweven met waarderingen van feitelijke aard en in belangrijke mate berust op intuïtieve inzichten, zodat aan de desbetreffende oordelen slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld.”

A-G Drijber concludeert dat het hof deze maatstaf heeft miskend of een onvoldoende begrijpelijk oordeel heeft gegeven. Volgens de A-G kan in het eindarrest de causaliteitsafweging niet van de billijkheidscorrectie worden onderscheiden. Net als het geval was in de zaak Van Keulen/Trias (NJ 1997/702), zou uit het eindarrest van het hof niet blijken of de aangebrachte schuldverdeling het resultaat is van enkel een causaliteitsafweging, waarbij het hof dan ten onrechte de mate van verwijtbaarheid zou hebben betrokken, of dat het hof de billijkheidscorrectie heeft toegepast, waarbij dan niet voldoende zou zijn gemotiveerd tot welke verdeling de causaliteitsafweging heeft geleid en op welke gronden deze verdeling correctie behoeft, aldus de A-G.

De Hoge Raad oordeelt anders. De overwegingen en oordelen van het hof in het tussenarrest en het eindarrest moeten volgens de Hoge Raad aldus worden begrepen dat het hof zowel de door art. 6:101 lid 1 BW voorgeschreven causaliteitsafweging heeft verricht als de in die bepaling bedoelde billijkheidscorrectie heeft toegepast, en in dat laatste verband de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Mede in het licht van hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd, heeft het hof aldus zijn oordeel over de vermindering van de vergoedingsplicht voldoende inzichtelijk gemaakt.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Share This