HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:246

Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast voor aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

De bestuurder van een vennootschap was namens zijn vennootschap een overeenkomst tot de koop van aandelen aangegaan. De vennootschap beschikte toen nog over onvoldoende middelen daarvoor en er was dus externe financiering nodig. In de koopovereenkomst was een financieringsvoorbehoud opgenomen: de overeenkomst kon worden ontbonden als tijdig twee schriftelijke afwijzende verklaringen van mogelijke financiers werden overgelegd. Uiteindelijk kwam de financiering niet rond en evenmin werd een geldig beroep gedaan op het financieringsvoorbehoud. De verkopende vennootschap vorderde daarop schadevergoeding van de bestuurder van de kopende vennootschap.

Het hof wees de vordering toe: weliswaar wist de bestuurder op het moment van aangaan van de koopovereenkomst nog niet dat de vennootschap zou tekortschieten, want mogelijk zou de financiering nog rond komen (in hoeverre dat een reële verwachting van de bestuurder was, liet het hof in het midden). Echter: nu de vennootschap zonder financiering in elk geval tekort zou schieten, moest de bestuurder volgens het hof ófwel zorgen voor financiering, ófwel tijdig en op juiste wijze een beroep doen op het financieringsvoorbehoud. Nu de bestuurder noch het een, noch het ander had gedaan, was hij volgens het hof persoonlijk aansprakelijk. De bestuurder stelt daarop cassatie in.

De Hoge Raad stelt zijn vaste rechtspraak voorop dat voor bestuurdersaansprakelijkheid vereist is dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt:

“Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. (Zie laatstelijk HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22 en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, NJ 2015/21)”

Het hof had het verwijt dat het de bestuurder maakte, niet uitdrukkelijk als een “persoonlijk ernstig verwijt” aangemerkt. Namens de verkopende vennootschap werd in cassatie betoogd dat het desalniettemin duidelijk was dat het hof hier kennelijk een persoonlijk ernstig verwijt aanwezig had geacht: in deze zaak ging het om een bestuurder die namens zijn vennootschap een koopovereenkomst met financieringsvoorbehoud aangaat terwijl hij weet dat zijn vennootschap niet zal kunnen nakomen (noch verhaal zal bieden) als én de financiering niet rondkomt, én geen geldig beroep op het financieringsvoorbehoud wordt gedaan, waarna de bestuurder niet zorgt voor financiering en ook geen geldig beroep doet op het voorbehoud. Betoogd werd dat deze situatie per saldo neerkomt op hetzelfde als de “standaard”-Beklamel-situatie, waarin een bestuurder namens zijn vennootschap een (onvoorwaardelijke) overeenkomst aangaat, waarvan hij weet (of behoort te weten) dat die niet zal worden nagekomen, en dat de vennootschap evenmin verhaal zal bieden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad valt de bestuurder in zo’n geval persoonlijk een ernstig verwijt te maken.

De Hoge Raad laat zich niet principieel over deze vergelijking uit, maar oordeelt dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat het heeft onderzocht of de bestuurder ter zake van de benadeling van de verkopende vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het is nu aan de rechter na verwijzing om dat laatste alsnog te beoordelen (en, zo lijkt te Hoge Raad te verlangen, dat bij een bevestigende beantwoording expliciet tot uitdrukking te brengen).

De verkopende vennootschap is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur, en in feitelijke instanties door Chris de Bres.

Share This