Selecteer een pagina

HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797 (X/Stichting Scheper Ziekenhuis)

Het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft gemeend dat art. 6:96 lid 2 onder b en c BW geen grondslag biedt voor een kostenberekening voor buitengerechtelijke kosten op basis van een no cure no pay-afspraak tussen de gelaedeerde en een rechtsbijstandverlener. Indien het hof van oordeel is geweest dat daarvoor in dit geval geen grondslag bestond, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de omstandigheden waarop eiser in deze zaak een beroep heeft gedaan.

Achtergrond

In deze zaak is de vraag aan de orde of (en zo ja, in hoeverre) een gelaedeerde het honorarium dat hij op grond van een “no cure no pay”-afspraak verschuldigd is aan zijn rechtsbijstandverlener, op grond van de regels voor buitengerechtelijke kosten (art. 6:96 lid 2 onder b en c BW) kan verhalen op de aansprakelijke partij. Die vraag is voor de letselschadepraktijk van aanzienlijk belang: veel rechtsbijstandverleners (niet zijnde advocaten) verlenen op basis van no cure no pay rechtsbijstand aan slachtoffers. Niet zelden gaat het hierbij om slachtoffers die de kosten van een advocaat – die veelal declareert op basis van een uurtarief maal het aantal gewerkte uren – niet kunnen betalen. De Nederlandse Orde van Advocaten is (mede daarom) met ingang van 1 januari 2014 een experiment gestart waarbij het gedragsrechtelijke verbod voor advocaten op “no cure no pay”- en “quota pars litis”-afspraken voor de duur van vijf jaar, en onder bepaalde voorwaarden, is opgeheven voor letsel- en overlijdensschadezaken.

De feiten van deze zaak

De echtgenote van eiser tot cassatie in deze zaak is in 2005 overleden na de bevalling van haar tweede zoon, als gevolg van een bloeding die door het ziekenhuis (verweerster in cassatie) niet was opgemerkt.

Eiser heeft enige tijd later met rechtsbijstandsverlener “A” (geen advocaat) een schaderegelingsovereenkomst op basis van no cure no pay gesloten. Daarbij is onder meer afgesproken dat het verschuldigde honorarium een percentage van 15% (inclusief BTW) zal bedragen van het te verhalen schadebedrag, en dat indien geen resultaat wordt behaald geen kosten of honorarium aan eiser in rekening wordt gebracht.

Anderhalf jaar na de aansprakelijkstelling door A heeft het ziekenhuis aansprakelijkheid erkend. Ruim twee jaar later is overeenstemming bereikt over de schadevergoeding die het ziekenhuis aan eiser en zijn twee kinderen verschuldigd is (in totaal een bedrag van € 225.000). A heeft, zoals overeengekomen, aan eiser 15% van dit bedrag (€ 33.750) als honorarium in rekening gebracht.

Inzet procedure: zijn deze kosten (volledig) verhaalbaar als buitengerechtelijke kosten?

In deze procedure gaat het om de vraag of eiser dit honorarium via de regels voor buitengerechtelijke kosten (art. 6:96 lid 2 onder b en c BW) kan verhalen op het ziekenhuis als aansprakelijke partij. Het ziekenhuis was slechts bereid om een bedrag van € 20.000 voor buitengerechtelijke kosten te vergoeden en heeft zich in de procedure onder meer op het standpunt gesteld dat het door eiser gevorderde bedrag van € 33.750 te hoog (en dus niet redelijk als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder b/c BW) zou zijn.

Dit betoog vond bij het hof gehoor: het hof oordeelde onder meer dat in het honorarium dat eiser met A is overeengekomen (15% van de te verhalen schadevergoeding) óók de kans is verdisconteerd dat A mogelijk voor zijn werkzaamheden geen of slechts een laag honorarium ontvangt. In dat geval zou het ziekenhuis volgens het hof, gezien het aantal uren van de door A verrichte werkzaamheden en diens uurtarief, een hogere vergoeding moeten betalen dan in redelijke verhouding staat tot de “werkelijke kosten” van de werkzaamheden van A. Daarvoor biedt art. 6:96 lid 2 BW volgens het hof geen grondslag.

Het hof kwam daarom tot de slotsom dat bij de vraag welk bedrag aan buitengerechtelijke kosten het ziekenhuis in dit geval moet vergoeden, niet de no cure no pay-afspraak tot uitgangspunt moet worden genomen maar het aantal door A gewerkte uren en het gehanteerde uurtarief. Daarbij achtte het hof niet van belang dat eiser (die immers een no cure no pay-afspraak had gemaakt) met A juist géén uurtarief was overeengekomen. Uit een (pro forma) voorschotdeclaratie die A op enig moment voor zijn werkzaamheden aan het ziekenhuis had gestuurd, viel volgens het hof af te leiden dat A normaal gesproken tegen een uurtarief van € 215 werkte.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad komt – in afwijking van de conclusie van advocaat-generaal Timmerman – tot een ander oordeel. Hij stelt voorop dat de tekst en de strekking van art. 6:96 lid 2 BW geen eisen stellen aan de wijze van berekening van buitengerechtelijke kosten. Uit de parlementaire geschiedenis valt niet af te leiden dat is beoogd kosten uit te sluiten van vergoeding op de grond dat zij zijn gemaakt op basis van een overeenkomst als de onderhavige tussen de benadeelde en diens rechtsbijstandverlener. De vraag in hoeverre kosten die de benadeelde aldus heeft gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen, moet aan de hand van de maatstaven van art. 6:96 lid 2 BW worden beantwoord, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

In dit geval heeft eiser zich in feitelijke instanties beroepen op een aantal omstandigheden: dat het Ziekenhuis na het overlijden van zijn vrouw aanvankelijk geen aansprakelijkheid heeft erkend, dat hij als gevolg van haar plotselinge overlijden, als weduwnaar met twee zeer jonge kinderen, in een shocktoestand verkeerde en niet in staat was de financiële gevolgen van de afspraak met A in te schatten, en dat zijn financiële situatie niet toeliet een rechtsbijstandverlener in te schakelen op basis van vergoeding van gewerkte uren vermenigvuldigd met een uurtarief. Daarnaast heeft eiser onder meer aangevoerd dat het overeengekomen honorarium van 15% redelijk en in de branche gebruikelijk is, en dat ook de totale omvang van het aan A verschuldigde honorarium redelijk is, en overeenstemt met de door veel verzekeraars voor letselschadezaken gehanteerde PIV-staffel.

Tegen deze achtergrond acht de Hoge Raad de cassatieklacht van eiser gegrond. Het hof is niet ingegaan op de hiervóór opgesomde omstandigheden van het geval. Als het hof dat niet heeft gedaan omdat het van oordeel was dat art. 6:96 lid 2 onder b/c BW (in algemene zin) geen grondslag kan bieden voor een kostenberekening op basis van een no cure no pay-afspraak zoals in dit geval aan de orde, is het hof volgens de Hoge Raad uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof heeft gemeend dat in dit geval daarvoor geen grond bestond, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

Uit dit oordeel van de Hoge Raad volgt dat ook buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand die voortvloeien uit een no cure no pay-afspraak, voor volledige vergoeding via art. 6:96 lid 2 onder b en c BW in aanmerking kunnen komen. Wel blijft (maar dat spreekt wel voor zich) de ‘dubbele redelijkheidstoets’ van deze bepaling van toepassing: in een concreet geval zal beoordeeld moeten worden of het maken en de omvang van de kosten, gelet op de omstandigheden van het geval, redelijk zijn geweest. Een benadering zoals het hof in deze zaak had gekozen – waarbij alleen werd gekeken naar het honorarium dat zou zijn gehanteerd in het (fictieve) geval dat de rechtsbijstandverlener juist niet op basis van no cure no pay maar tegen een uurtarief had gewerkt – is daarbij echter niet mogelijk.

Eiser is in deze zaak in cassatie bijgestaan door Kasper Jansen en de auteur.

Share This