Selecteer een pagina

HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376

Van aantasting in zijn persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1 sub b BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. Degene die zich hierop beroept zal in beginsel de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

Feiten en achtergrond

Eiser is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Hij is enige jaren gedetineerd geweest in de Extra Beveiligde Inrichting in Vught (hierna: de EBI). Over een beslissing tot verlenging van dat verblijf heeft eiser geklaagd in de toepasselijke penitentiaire rechtsgang. Daarin is door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: de RSJ) geoordeeld dat eiser 350 dagen ten onrechte in de EBI (in plaats van in een minder zwaar detentieregime) heeft gezeten, zodat vast staat dat de Staat onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld. De RSJ heeft eiser hiervoor een financiële vergoeding van € 1.375 toegekend.

In deze procedure vordert eiser – in aanvulling op dit bedrag – vergoeding van de schade die hij door zijn onterechte verblijf in de EBI heeft geleden. Daartoe voert hij aan dat hij door zijn verblijf in de EBI in zijn persoon is aangetast als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW.

Bij de rechtbank en het hof zijn de vorderingen van eiser afgewezen. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, oordeelde het hof daartoe dat voor een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in genoemd artikel als uitgangspunt geestelijk letsel vereist is en dat daarvan hier niet is gebleken. Onder verwijzing naar het zogenaamde Blauw oog-arrest van de Hoge Raad, oordeelde het hof dat dit uitgangspunt uitzondering kan lijden in verband met de ernst van de schendingen van de gevolgen daarvan. Voor het aannemen van een dergelijke uitzondering bestond hier geen grond, nu eiser onvoldoende had gesteld over de gevolgen die het verblijf in de EBI voor hem hebben gehad, aldus het hof.

Hoge Raad

In cassatie klaagt eiser onder meer dat het hof heeft miskend dat bij schending van fundamentele rechten (art. 3, 5 en 6 EVRM) verondersteld moet worden dat nadeel is geleden, ook als geen sprake is van (feitelijk aangetoonde) immateriële schade als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW. Volgens eiser dient dit nadeel te worden gecompenseerd met smartengeld, bovenop de al door de RSJ toegekende tegemoetkoming.

Eiser vond A-G Hartlief (gedeeltelijk) aan zijn zijde. Hij pleitte er in zijn conclusie voor dat de Hoge Raad terug zou komen van het Blauw oog-arrest en zou aanvaarden dat de enkele schending van een fundamenteel recht – ongeacht de gevolgen daarvan – in veel gevallen voldoende is voor een aanspraak op smartengeld (wegens een persoonsaantasting).

De Hoge Raad gaat daar niet in mee. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak schetst de Hoge Raad tamelijk uitgebreid wanneer aanspraak kan worden gemaakt op smartengeld wegens een persoonsaantasting als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW. Daarbij stelt de Hoge Raad voorop dat van een dergelijke aantasting in elk geval sprake is in geval van geestelijk letsel. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat daarnaast de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, kunnen meebrengen dat van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. De Hoge Raad noemt in dat kader het eerder aangehaalde Blauw oog-arrest. Overigens valt op dat de verwijzing naar de “aard” van de schending en de gevolgen daarvan in dat arrest nog niet voorkwam: daar ging het enkel om de “ernst” van beide.

De Hoge Raad voegt hieraan toe dat in beginsel degene die zich beroept op een persoonsaantasting die aantasting met concrete gegevens moet onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dat was volgens de Hoge Raad het geval in de arresten Oudejaarsrellen en Wrongful life. Daaruit valt af te leiden dat ook daar (de aard en ernst van) de gevolgen aanleiding gaven voor een smartengeldaanspraak, en niet de enkele normschending.

In lijn hiermee concludeert de Hoge Raad dat van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106 lid 1 sub b BW, niet reeds sprake is bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Ook dan moet dus voldoende vast komen te staan over de gevolgen van die schending.

Op deze uitgangspunten stuit de hiervoor aangehaalde rechtsklacht van het cassatiemiddel af. Verder acht de Hoge Raad niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende heeft gesteld over de gevolgen die de normschending voor hem heeft gehad, onder meer omdat hij niet duidelijk heeft gemaakt waarin het EBI-regime verschilde van het regime waarin hij anders was geplaatst.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Gijsbrecht Nieuwland en in feitelijke instanties door Cécile Bitter.

Share This