HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683 (Eiser/Gemeente Zoeterwoude)

Nu de gemeente had toegezegd een bepaalde bestemming in het bestemmingsplan op te nemen en zij dit niet heeft gedaan, is daarmee sprake van onrechtmatig handelen van de gemeente. De formele rechtskracht van het betreffende bestemmingsplan neemt de onrechtmatigheid van het niet nakomen van die toezegging niet weg. De schade bestaat in een gemiste kans op verwezenlijking van de bouwplannen van eiser. Er is sprake van een causaal verband tussen de onrechtmatigheid en de schade, die zo nodig bij wijze van schatting moet worden vastgesteld.

Inleiding

Tussen eiser tot cassatie en de gemeente Zoeterwoude is in het verleden veelvuldig gecorrespondeerd over de restauratie en uitbouw van een voormalig gemaal. In de brief van 6 juni 1990 waarop de cassatieprocedure zich toespitst, heeft de gemeente aan eiser het volgende geschreven:

“(…) delen wij u mede, dat wij er in beginsel – behoudens instemming van de raad en Gedeputeerde Staten – mee instemmen, dat de voormalige en te restaureren dienstwoning tot 400m3 wordt vergroot en dat daarbij een bijgebouw van maximaal 50m2 wordt gerealiseerd. Wij gaan er daarbij vanuit, dat het voormalige gemaal wordt afgebroken. De voormalige dienstwoning zullen wij met de bestemming “woondoeleinden” opnemen in het ontwerp-bestemmingsplan Landelijk Gebied (1989).”

Het college is vervolgens echter vergeten de woning met bestemming woondoeleinden op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan, dat vervolgens is vastgesteld. Het college heeft vervolgens wel een vrijstellingsprocedure geëntameerd om het gebruik van de woning alsnog mogelijk te maken. Daarbij heeft de gemeente aan eiser aangegeven niet te kunnen garanderen dat daadwerkelijk tot uitvoering van de bouw- en aanlegplannen van eiser kan worden overgegaan, omdat de gemeente afhankelijk is van de goedkeuring van andere overheden of rechterlijke instanties.

De vrijstellingsprocedure heeft niet tot het gewenste resultaat geleid: Gedeputeerde Staten hebben geweigerd om een verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 19 WRO (oud) af te geven. Het daartegen door het college en eiser ingestelde bezwaar is door Gedeputeerde Staten ongegrond verklaard. Dit besluit is tot aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in stand gebleven.

In deze civiele procedure heeft eiser een verklaring voor recht gevorderd dat de gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, evenals schadevergoeding. Eiser heeft daartoe (voor zover in cassatie nog van belang) gesteld dat het college de bij brief van 6 juni 1990 gedane toezegging de woning met bestemming woondoeleinden op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan, niet is nagekomen.

Feitelijke instanties

Zowel de rechtbank als het hof hebben de vorderingen van eiser afgewezen. Over de stelling van eiser dat de gemeente aansprakelijk is wegens het niet nakomen van de toezegging om de betrokken woning met woonbestemming in 1992 in het nieuwe bestemmingsplan op te nemen, overweegt het hof als volgt:

“Mocht eiser met deze grief willen betogen dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan jegens hem onrechtmatig is omdat de Gemeente heeft nagelaten aan de betrokken woning een woonbestemming te geven, dan overweegt het hof als volgt. Eiser heeft tegen het (ontwerp) bestemmingsplan geen bezwaar aangevoerd of beroep ingesteld. Dat brengt met zich dat het besluit tot vaststelling daarvan geacht moet worden naar zijn inhoud en wijze van totstandkoming jegens hem rechtmatig te zijn. Het hof overweegt daarbij dat het voor risico van eiser komt dat hij door verblijf in het buitenland geen zienswijze kenbaar heeft gemaakt ten aanzien van het in zijn ogen gebrekkige ontwerpbestemmingsplan.”

Het hof oordeelt dus dat het bestemmingsplan formele rechtskracht heeft gekregen en daarom niet onrechtmatig is jegens eiser. Verder overweegt het hof dat de bedoelde nalatigheid bovendien geen schadeplichtigheid van de gemeente meebrengt, omdat het daartoe vereiste causale verband ontbreekt. Als immers, aldus het hof, het college de woonbestemming in het ontwerpbestemmingsplan had opgenomen, dan was dat nog geen garantie voor de doorgang van de plannen van eiser. Zelfs al zou de stelling van eiser juist zijn dat de gemeenteraad en Gedeputeerde Staten in 1992 minder redenen zouden hebben gehad om medewerking op dit punt te weigeren, laat dit volgens het hof onverlet dat de raad en Gedeputeerde Staten ook toen de mogelijkheid hadden om anders te beslissen en dat niet met voldoende mate van zekerheid valt vast te stellen dat zij dit toen niet zouden hebben gedaan.

Cassatie

De Hoge Raad stelt vast dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de grondslag van de vordering inhield dat het bestemmingsplan jegens eiser onrechtmatig was. De grondslag van de vordering van eiser betreft, aldus de Hoge Raad, enkel de niet-nakoming van de in de brief van 6 juni 1990 gedane toezegging door het college. Deze niet-nakoming had tot gevolg dat de kans werd weggenomen of verminderd dat de woning in het vast te stellen bestemmingsplan de bestemming ‘woondoeleinden’ zou krijgen (de Hoge Raad verwijst hierbij ter vergelijking naar HR 13 februari 1981, NJ 1981, 456 (Heesch/Reijs)). Om die reden vereist de beoordeling van de vordering geen beslissing over de rechtmatigheid van het bestemmingsplan, aldus de Hoge Raad. De vordering van eiser stuit dan ook niet af op de formele rechtskracht van het bestemmingsplan.

Ook de beslissing van het hof over de causaliteit houdt in cassatie geen stand. De Hoge Raad oordeelt dat eiser terecht betoogt dat de schade waarvan hij vergoeding vordert, bestaat in een gemiste kans op verwezenlijking van zijn plannen. Het onzekere antwoord op de vraag of het bestemmingsplan destijds met inbegrip van de woonbestemming voor de dienstwoning van eiser tot stand zou zijn gekomen, dient dus tot uitdrukking te komen in de bepaling van de grootte van die kans, dus in de schadeberekening.

De Hoge Raad oordeelt dat in het onderhavige geval onmiskenbaar sprake is van condicio sine qua non-verband tussen de niet-nakoming en de gemiste kans. Indien geen grond bestaat om op voorhand ervan uit te gaan dat die kans nihil of zeer klein is, dient de schade zo nodig bij wijze van schatting te worden bepaald. Daarover overweegt de Hoge Raad voorts:

“De omstandigheid dat, zoals het hof heeft overwogen, ‘niet met voldoende mate van zekerheid valt vast te stellen’ dat de Raad en Gedeputeerde Staten in 1992 wel hun medewerking zouden hebben verleend aan de bestemming ‘woondoeleinden’, is een onzekerheid die aan een kans eigen is. Dit argument kan derhalve voor de rechter geen grond opleveren om zich te onttrekken aan een vaststelling van de grootte van die kans, zo nodig bij wijze van schatting.”

Nu beide zelfstandig dragende oordelen van het hof in cassatie met succes zijn bestreden, vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing.

Share This