HR 8 februari 2013, LJN BX7846 (Van Lanschot/Verweerders)

De omstandigheid dat een eis is ingesteld of bindend advies is gevraagd laat onverlet dat de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis ook kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW. Art. 3:316 lid 2 BW moet aldus worden uitgelegd dat het niet (tijdig) instellen van een nieuwe eis of het niet (tijdig) opnieuw vragen van bindend advies niet het intreden van de verjaring meebrengt, maar slechts tot gevolg heeft dat de stuitende werking van de eerder ingestelde eis of het eerdere gedane verzoek komt te vervallen.

Achtergrond

Verweerders in cassatie hebben in 1999 Van Lanschot (hierna: de Bank) om beleggingsadvies gevraagd. Nadat verweerder 1 met het door de Bank gedane beleggingsvoorstel had ingestemd, heeft de Bank in opdracht en voor rekening van verweerders effecten gekocht. Na verliezen op de effectenportefeuille hebben verweerders de Bank in rechte betrokken en gesteld dat zij toerekenbaar is tekortgeschoten in de zorg die zij als financiële dienstverlener tegenover verweerders in acht diende te nemen. De Bank heeft betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden en niet als een redelijk handelend en redelijk bekwaam beleggingsadviseur heeft gehandeld.

Het hof heeft de Bank aansprakelijk gehouden wegens schending van haar zorgplicht. De Bank heeft cassatieberoep ingesteld. In cassatie heeft de Bank zich (voor zover relevant) beroepen op verjaring van de vordering krachtens art. 3:310 BW en rechtsverwerking in de zin van art. 6:89 BW. De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van de klachten van de Bank het, in cassatie niet bestreden, oordeel van het hof dat de relatie tussen de Bank en verweerders kwalificeert als een vermogensadviesrelatie tot uitgangspunt  (rov. 3.4.2).

Deskundigheid bank relevante omstandigheid bij beoordeling klachtplicht ex art. 6:89 BW

De Bank richt allereerst klachten tegen het oordeel van het hof dat tijdig door verweerders is geprotesteerd in de zin van art. 6:89 BW. Dit oordeel is volgens de Bank onjuist dan wel onbegrijpelijk, gelet op de omstandigheid dat verweerder 1 tijdens met de Bank op 24 september en 14 oktober 1999 gevoerde gesprekken zijn bedenkingen heeft geuit over het beleggingsvoorstel. De Bank betoogt dat dit betekent dat verweerders al in september en oktober 1999 dan wel, in elk geval, in januari 2001 – toen bij verweerder 1 naar eigen zeggen voor het eerst het besef doorbrak dat de Bank een verkeerd advies had gegeven – op de hoogte waren van het door hen gestelde gebrek van het beleggingsadvies. Zij hadden daarom toen al binnen bekwame tijd moeten protesteren en de omstandigheid dat de Bank geruststellende mededelingen had gedaan doet daar niet aan af, aldus het cassatiemiddel.

De Hoge Raad verwerpt dit betoog:

“3.5.3 (…) Bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geprotesteerd als bedoeld in art. 6:89 BW, moet worden acht geslagen op alle relevante omstandigheden. Terecht heeft het hof hiertoe mede de aard van de dienstverlening gerekend – in dit geval: vermogens- en beleggingsadvies door een bank aan een particuliere belegger – en terecht heeft het hof hierbij mede in aanmerking genomen dat het in dit geval gaat om een adviesrelatie met de Bank als een bij uitstek deskundige partij, die vanwege haar deskundigheid om advies wordt verzocht, waarbij de cliënt in beginsel mag afgaan op het oordeel van die deskundige partij (vgl. voor een en ander het arrest van de Hoge Raad van heden in de zaak met nr. 11/05318, LJN BY4600). Het oordeel van het hof dat verweerders, gelet op de geruststellende mededelingen van de Bank (…) niet behoefden te begrijpen dat sprake was van een gebrekkig advies, noch reden hadden voor onderzoek terzake, geeft in verband daarmee geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.”

De deskundigheid van de Bank in verhouding tot de particuliere belegger vormt dus een relevante omstandigheid bij de beoordeling van een beroep op art. 6:89 BW, zoals ook blijkt uit het arrest LJN BY4600 van dezelfde datum (hier besproken op cassatieblog), waarnaar de Hoge Raad in bovenstaand citaat verwijst.

Niet (tijdig) instellen van nieuwe eis ex art. 3:316 lid 2 BW leidt niet tot verjaring, maar slechts tot verval van stuitende werking

De Bank klaagt voorts dat het hof ten onrechte haar beroep op verjaring ex art. 3:310 lid 1 BW heeft verworpen. Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat, ervan uitgaande dat de verjaring is gaan lopen in december 2000, deze tijdig is gestuit door de brief van verweerder 1 van 24 maart 2004 en vervolgens door de inleidende dagvaarding in deze zaak in 2008. De Bank betoogt dat indien de verjaring eenmaal op grond van art. 3:316 lid 1 of lid 3 BW is gestuit door het instellen van een eis of het vragen van een bindend advies, deze nadien alleen nog maar kan worden gestuit op de wijze als vermeld in art. 3:316 lid 2 BW (dus door het instellen van een nieuwe eis binnen de daar genoemde termijn) en niet meer door een stuitingshandeling (een schriftelijke aanmaning of mededeling) op de voet van art. 3:317 lid 1 BW. De Hoge Raad oordeelt dat dit betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting.

“3.6.3 (…) De omstandigheid dat een eis is ingesteld of – zoals hier bij de Klachtencommissie DSI – bindend advies is gevraagd, en dat de verjaring op grond van art. 3:316 leden 1 en 3 BW in beginsel wordt gestuit zolang op die eis dan wel dat verzoek niet is beslist, laat onverlet dat de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis ook kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW. Dit strookt met de wetsgeschiedenis van de art. 3:316 en 3:317 BW (Parl. Gesch. Boek 3, p. 934 en 936). Daarin is de in art. 3:316 BW geregelde stuitende werking van de eis toegelicht met de opmerking dat van een procespartij niet mag worden verlangd dat zij gedurende een geding aan de wederpartij aanmaningen blijft sturen om de verjaring te stuiten.

Deze toelichting impliceert dat stuiting op de voet van art. 3:317 lid 1 BW (weliswaar niet moet, maar) ook kan plaatsvinden gedurende een aanhangig geding.

Het vereiste van art. 3:316 lid 2 BW dat binnen zes maanden een nieuwe eis wordt ingesteld, is bovendien (t.a.p.) toegelicht met de opmerking dat de schuldeiser de nieuwe eis moet instellen “om voor zich het profijt van de stuitende werking van de eerst ingestelde eis te behouden”. De bepaling van art. 3:316 lid 2 BW moet dan ook aldus worden uitgelegd dat het niet (tijdig) instellen van een nieuwe eis of het niet tijdig opnieuw vragen van bindend advies niet het intreden van de verjaring meebrengt, maar slechts tot gevolg heeft dat de stuitende werking van de eerder ingestelde eis of het eerdere gedane verzoek komt te vervallen.”

Art. 3:316 en 3:317 BW vormen dus twee op zichzelf staande gronden voor stuiting van de verjaring, zodat het instellen van een eis of het vragen van bindend advies niet in de weg staat aan stuiting door middel van een schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW.

Het cassatieberoep van de bank wordt verworpen, in lijn met de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense.

Share This