Selecteer een pagina

HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2010:461

Het is ook mogelijk kansschade vast te stellen indien het van het gedrag van de benadeelde partij afhankelijk was geweest of de kans op een beter resultaat zich zou hebben verwezenlijkt in de hypothetische situatie waarin de aansprakelijke partij haar die kans niet zou hebben onthouden.

De casus en de vordering

ISG is met COB een overeenkomst aangegaan op grond waarvan ISG zou deelnemen aan, volgens COB, een programma dat de beschikbaarheid van dollars in het internationale verkeer zou reguleren. Vermogende partijen zouden voor korte periodes grote hoeveelheden dollars vastzetten bij erkende bankinstellingen tegen een hoge rentevergoeding. Betrokkene 1 heeft namens COB bij de bank bankrekeningen geopend. Naar aanleiding van een aantal transacties heeft de bank omstreeks juli 1998 een onderzoek ingesteld naar betrokkene 1. Op 11 augustus 1998 heeft de bank de relatie met COB opgezegd. Betrokkene 1 is op 29 april 2008 veroordeeld wegens fraude.

ISG, van wie gelden zijn weggesluisd, vordert schadevergoeding van de bank. Zij stelt dat zonder de medewerking van de bank de fraude niet mogelijk was geweest. De bank heeft volgens ISG nagelaten om maatregelen te nemen, hoewel dat wel van haar mocht worden verlangd, omdat zij wist dat gelden van ISG werden weggesluisd.

Het hof

 Het hof heeft geoordeeld dat de bank inderdaad onzorgvuldig heeft gehandeld. De bank heeft weliswaar de relatie met COB opgezegd en bankrekeningen gesloten, maar zij heeft ten onrechte nagelaten om dit aan ISG te melden. De bank is daarom aansprakelijk voor de schade die ISG heeft geleden doordat de bank haar niet heeft geïnformeerd. Het hof vindt het echter twijfelachtig of ISG, na een melding, anders zou hebben gehandeld dan zij nu heeft gedaan. Gelet op het grote vertrouwen dat ISG in COB had, schat het hof de kans dat ISG ook na een mededeling niet op andere gedachten was gekomen op 75%. Het hof veroordeelt de bank tot vergoeding van 25% van de schade van ISG.

De Hoge Raad

De bank klaagt in cassatie dat het hof heeft miskend dat voor vergoeding van kansschade is vereist is dat condicio-sine-qua-non-verband (csqn-verband) bestaat met de schade c.q. het verlies van een kans. Het hof zou niet een dergelijk csqn-verband hebben vastgesteld alvorens een kansinschatting te hanteren bij zijn schadebegroting en evenmin hebben vastgesteld dat aan ISG door de normschending een kans is ontnomen. Bovendien zou vergoeding van de kansschade enkel mogelijk zijn in gevallen waarbij de verwerkelijking van de kans niet afhankelijk is van het gedrag van partijen.

De Hoge Raad verwerpt deze klachten. Het hof heeft, aldus de Hoge Raad, geoordeeld dat de door de bank aangedragen omstandigheden onvoldoende zijn voor de conclusie dat ISG na een melding niet anders zou hebben gehandeld. Daarop heeft het hof de kans dat ISG door de mededeling van de bank niet anders zou hebben gehandeld geschat op 75%. Daarin ligt besloten dat het hof de kans dat ISG na een mededeling van de bank wél anders zou hebben gehandeld op 25% heeft geschat. Die kans is voor ISG door het nalaten van een mededeling door de bank verloren gegaan. Aldus heeft het hof toepassing gegeven aan het leerstuk van de kansschade en csqn-verband vastgesteld tussen het verlies van die kans en de normschending door de bank.

Ook de tweede klacht faalt. De Hoge Raad herhaalt dat de leer van de kansschade is geëigend om een oplossing te bieden voor sommige situaties waarin onzekerheid bestaat over de vraag of een tekortkoming of onrechtmatige daad schade heeft veroorzaakt. Het gaat dan om gevallen waarin die onzekerheid haar grond erin vindt dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre, als de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, voor de benadeelde een betere uitkomst zou zijn bereikt. Dat geldt ook als die betere uitkomst afhankelijk zou zijn geweest van het handelen van de benadeelde:

“Anders dan het onderdeel bepleit, is het ook mogelijk kansschade vast te stellen in een geval waarin van het gedrag van de benadeelde partij afhankelijk was geweest of de kans op een beter resultaat zich zou hebben verwezenlijkt in de hypothetische situatie waarin de aansprakelijke partij haar die kans niet zou hebben onthouden.”

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze afdoening is in overeenstemming met de conclusie van A-G Vlas.

Share This