Selecteer een pagina

HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, is niet doorslaggevend of aan de geldende regelgeving wordt voldaan. Bij het bepalen van het feitelijke niveau van hinder kan ook gebruik worden gemaakt van objectieve maatstaven die zijn neergelegd in regelgeving die (deels) pas na het optreden van de hinder in werking is getreden.

Achtergrond

Eisers tot cassatie hebben tussen 2002 en 2008 in Groesbeek een pluimveebedrijf geëxploiteerd. De gemeente heeft hiervoor driemaal (in 2001, 2006 en 2007) een (revisie)vergunning verleend op grond van de Wet Milieubeheer, welke driemaal (in 2002, 2006 en 2008) door de Raad van State is vernietigd. In 2008 is de fabriek onder dreiging van handhaving buiten werking gesteld. Sinds 2011 beschikken de exploitanten over een vergunning voor een inrichting met minder dieren en een gewijzigde luchtventilatiehuishouding.

Verweerders in cassatie waren tussen 2002 en 2008 eigenaar van recreatiewoningen in een park in de omgeving van het pluimveebedrijf. De woningeigenaren hebben in deze procedure een verklaring voor recht gevorderd dat de exploitanten jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld door de inrichting in werking te hebben zonder vergunning, en daarnaast vorderen zij schadevergoeding ter zake van onrechtmatig toegebrachte stankhinder. De rechtbank en het hof hebben deze vorderingen grotendeels toegewezen. De schade bestond uit de verminderde huurwaarde van de recreatiewoningen tussen 2002 en 2008.

De woningeigenaren hadden een rapport overgelegd waarin aan de hand van de maatstaven van de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) werd geconstateerd dat de norm voor de bebouwde kom aanzienlijk wordt overschreden. De aard van de geur is als ‘onaangenaam’ tot ‘zeer onaangenaam’ te kwalificeren.

Toetsingskader geuroverlast

De exploitanten hebben cassatieberoep ingesteld. In cassatie klagen zij onder meer dat, omdat het toetsingskader van de Wgv pas (op zijn vroegst) vanaf 2007 gold, het hof de hinder had moeten toetsen aan het ten tijde van de hinder geldende toetsingskader (namelijk de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 en de Brochure Veehouderij en Hinderwet 1985). Volgens dat toetsingskader moest slechts een bepaalde minimumafstand worden aangehouden tussen de inrichting die de geurhinder veroorzaakt en (in dit geval) de recreatiewoningen. De cassatieklacht concludeert dat het toepassen van de Wgv in dit geval in feite terugwerkende kracht verleent aan deze wet.

Hinder

In r.o. 3.3.2. zet de Hoge Raad zijn voorgaande jurisprudentie uiteen over onrechtmatige hinder (art. 5:37 BW). Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, hangt af van

“de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (…). Daarbij is het beschikken over of juist het ontbreken van een publiekrechtelijk vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of jegens een bepaalde derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder.”

De Hoge Raad overweegt dat hieruit voortvloeit dat voor het antwoord op de vraag of sprake was van onrechtmatige geurhinder, niet zonder meer bepalend is of werd voldaan aan de destijds geldende publiekrechtelijke regelgeving.

A-G Langemeijer wijst in zijn conclusie (onder 2.5) op het belang van objectieve criteria binnen het beoordelingskader van onrechtmatige hinder. Van onrechtmatige hinder is pas sprake als de hinder voldoende ernstig is, anders zal de hinder moeten worden geduld. Voor het bepalen van de ernst van hinder verdient het de voorkeur aansluiting te zoeken bij objectieve criteria, zoals bijvoorbeeld normen die zijn opgesteld in het kader van bestuursrechtelijke regelgeving. In dat kader noemt Langemeijer ook het arrest over geluidshinder van luchthaven Soesterberg (HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1058). Uit dit arrest volgde al dat bij het ontbreken van wettelijke normen voor hinder, voor het vaststellen van de feitelijk toegebrachte overlast kan worden aangeknoopt bij objectieve criteria die pas later in regelgeving zijn opgenomen. Het verschil met dit eerdere arrest, is dat er in dit geval wel een objectieve norm bestond ten tijde van de overlast, namelijk de minimumafstand tot (bijvoorbeeld) woningen. Langemeijer wijst erop dat daarmee nog niet is gegeven dat de minimumafstand ook bruikbaar is om de mate van feitelijk ervaren overlast te meten. Deze is immers onder meer afhankelijk van de aard, ernst en duur van de hinder en de omstandigheden van het geval. Niet al deze factoren komen tot uitdrukking in een minimumafstand.

Mede omdat de voordien geldende beleidsregels geen bruikbare milieutechnische inzichten boden voor de vaststelling van het geurhinderniveau, heeft het hof in dit geval ‘inspiratie geput’ uit de in het rapport toegepaste maatstaven van de (destijds nog niet van kracht zijnde) Wgv. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn op art. 5:37 BW gegronde oordeel te baseren op een rapport waarin het feitelijke geurhinderniveau was berekend naar objectieve maatstaven volgens recente inzichten.

Share This