HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1061 (IMG / X BV)

1. Ook indien een lid van een rechtspersoon wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon, sluit art. 2:15 BW een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering niet uit. 2. Handelen in strijd met art. 2:8 lid 1 BW brengt niet zonder meer mee dat sprake is van onrechtmatig handelen. Het betreft hier verschillende normen met een open karakter die dienen te worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

Achtergrond van de zaak

X BV voert een onderneming waarin de detailhandel in meubels wordt uitgeoefend. De aandelen in X BV worden gehouden door X Holding BV, waarvan Y enig aandeelhouder is. X BV was lid van vereniging IMG, welke vereniging zich onder meer bezig hield met het gezamenlijk ten behoeve van en voor rekening van haar leden afzonderlijk plaatsen van orders en het doen produceren van meubels. In juli 2005 heeft IMG het lidmaatschap van X BV met onmiddellijke ingang opgezegd met als reden dat van IMG als vereniging redelijkerwijs niet kon worden gevergd het lidmaatschap nog langer te laten voortduren. IMG voerde daartoe vier opzeggingsgronden aan, te weten:

  • dat zij had vernomen dat X BV lid van een andere inkoopgroep zou worden;
  • dat Y bonusbetalingen in MKB BV had gelaten die volgens IMG aan leden van IMG hadden moeten worden uitgekeerd. MKB BV betreft Mondial Keukens Benelux BV waarin X Holding BV aanvankelijk 60% van de aandelen had en IMG en het daaraan gelieerde Euretco BV elk 20% en welke aandelen X Holding BV heeft overgedragen aan Euretco BV;
  • dat als gevolg daarvan sprake was van een te hoog voorgestelde vermogenspositie van MKB BV;
  • dat Y zich ten koste van andere leden van IMG had verrijkt met betalingen die in verband met de toewijzing van meubelverkooppunten aan IMG-leden waren bedongen.

X BV heeft tegen deze opzegging bezwaar gemaakt en heeft daartegen op de in de statuten voorgeschreven wijze beroep aangetekend, welk beroep door de ledenvergadering is verworpen. In eerste aanleg vordert X BV onder meer een verklaring voor recht dat de opzegging van het lidmaatschap door IMG ongeldig en onrechtmatig is jegens X BV en dat IMG aansprakelijk is voor de schade die X BV dientengevolge heeft geleden. Volgens X BV heeft IMG met de opzegging slechts beoogd de aandelen in MKB BV voor een schijntje te kunnen verkrijgen. Bovendien had de toenmalige voorzitter van IMG volgens X BV een persoonlijk belang bij beëindiging van het lidmaatschap van X BV, omdat hij dan een nabijgelegen concurrent van X BV zou kunnen overnemen.

De rechtbank beschouwde de gevorderde verklaring voor recht als tweeledig, te weten (i) als verklaring voor recht dat de opzegging van het lidmaatschap ongeldig was en (ii) als een verklaring voor recht dat de opzegging van IMG jegens X BV onrechtmatig was. De rechtbank wijst deze vordering af, omdat X BV niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW de nietigheid van het opzeggingsbesluit heeft ingeroepen. Volgens de rechtbank had X BV bovendien onvoldoende bijkomende omstandigheden gesteld die konden meebrengen dat toepassing van het opzeggingsbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

X BV kwam van dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde (voor zover van belang) voor recht dat IMG door de opzegging met onmiddellijke ingang onrechtmatig jegens X BV heeft gehandeld. Het hof overwoog daartoe – kort gezegd – dat een geslaagd beroep op art. 2:8 lid 2 BW slechts kan bewerkstelligen dat een krachtens het besluit geldende regel ondanks de rechtskracht van het besluit buiten toepassing wordt gelaten. Een en ander laat echter onverlet dat een opzegging, ondanks de rechtsgeldigheid van het besluit daartoe, in strijd met art. 2:8 lid 1 BW dan wel onrechtmatig kan zijn. Volgens het hof heeft X BV voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd voor haar stelling dat IMG met de abrupte beëindiging van het lidmaatschap van X BV in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW en dat IMG daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Ook heeft X BV naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd gesteld dat de opzegging van het lidmaatschap voor haar grote gevolgen had en dat de beëindiging van het lidmaatschap per direct, de impact van die consequenties heeft vergroot. Volgens het hof had IMG X BV minimaal een termijn van een half jaar behoren te gunnen voor de overgang naar een situatie waarin zij haar onderneming niet meer onder het verband van IMG kon voeren. IMG komt van dit oordeel van het hof in cassatie. X BV heeft op haar beurt incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Principaal cassatieberoep

In cassatie stelt IMG zich (onder meer) op het standpunt dat het hof klaarblijkelijk van oordeel is geweest dat het handelen van IMG in strijd met art. 2:8 lid 1 BW zonder meer meebrengt dat IMG onrechtmatig heeft gehandeld jegens X BV en dat het hof daarmee heeft miskend dat in dat verband sprake is van verschillende normen. Hoewel het hof ook volgens de Hoge Raad van een gelijkstelling van deze twee normen lijkt te zijn uitgegaan, kan de klacht niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad wijst op het open karakter van beide normen en overweegt dat deze dienen te worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Over de op art. 2:15 BW gebaseerde vordering merkt de Hoge Raad op dat deze is gericht op andere rechtsgevolgen dan de vordering die is gebaseerd op een onrechtmatige opzegging. De op art. 2:15 BW gebaseerde vordering is immers gericht op aantasting van het besluit, terwijl de vordering die is gebaseerd op een onrechtmatige opzegging de rechtsgeldigheid van het besluit tot uitgangspunt neemt en gericht is op vergoeding van schade die de eiser lijdt door de handeling waartoe is besloten. De Hoge Raad benadrukt dat art. 2:15 BW een zodanige, op onrechtmatige daad gebaseerde vordering niet uitsluit, óók niet in het geval als het onderhavige, waarin een lid van een rechtspersoon daarmee wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon.

In cassatie stelt IMG zich bovendien op het standpunt dat het hof de hiervoor genoemde vier opzeggingsgronden onvoldoende in zijn oordeel zou hebben betrokken. Net als A-G mr. Spier, acht de Hoge Raad deze klacht gegrond: ook volgens de Hoge Raad maakt de overweging van het hof “dat voor IMG bij de opzegging van het lidmaatschap (mede) andere motieven hebben voorgezeten dan de in het besluit tot opzegging aangegeven gronden” niet duidelijk waarom het hof geen aandacht heeft besteed aan de motieven die wél tot uiting komen in de opzeggingsgronden. In dat verband acht de Hoge Raad van belang dat partijen in eerste aanleg uitvoerig over de opzeggingsgronden hebben gedebatteerd, welk debat gelet op de devolutieve werking ook deel uitmaakte van de procedure in appel.

Incidenteel cassatieberoep

X BV stelt zich in cassatie op het standpunt dat het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven door uit te gaan van een opzegtermijn van minimaal een half jaar, zonder dat partijen zich over die termijn hebben kunnen uitlaten. Anders dan A-G mr. Spier, acht de Hoge Raad deze klacht gegrond. Het hof was immers klaarblijkelijk van oordeel dat IMG niet onrechtmatig zou hebben gehandeld indien het een opzegtermijn van minimaal een half jaar zou hebben gehanteerd. Het hof heeft daarmee een oordeel gegeven die van invloed is op de schadestaatprocedure, zonder dat dit een grondslag had in het partijdebat. Het hof had een dergelijke beslissing niet mogen nemen zonder partijen de gelegenheid te geven zich daarover uit te laten, aldus de Hoge Raad.

X BV werd in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur, en in feitelijke instanties door Peter Lodestijn.

Share This