HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 (X/Dexia)

Ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit door een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW. Een buitengerechtelijke verklaring die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is tijdig uitgebracht.

Prejudiciële vragen over collectieve stuiting

De werking van collectieve stuitingshandelingen is eerder onderwerp van prejudiciële vragen geweest. Bij arrest van 28 maart 2014 oordeelde de Hoge Raad dat een 3:305a BW-rechtspersoon via een stuitingsbrief (art. 3:317 BW) de verjaring kan stuiten van vorderingen van de belanghebbenden voor wie hij opkomt (zie CB 2014-68). In de hier besproken uitspraak beantwoordt de Hoge Raad vragen van het Gerechtshof Amsterdam over de reikwijdte van een collectieve stuitingshandeling, bestaande uit het instellen van een (art. 3:305a-)eis in rechte (art. 3:316 BW).

De zaak betrof de volgende casus. Appellant is op 13 oktober 2000 een effectenleaseovereenkomst aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia. Zijn echtgenote heeft bij brief van 2 februari 2005 aan Dexia verklaard deze overeenkomst op de voet van art. 1:89 BW te vernietigen en heeft aanspraak gemaakt op terugbetaling van hetgeen op grond van die overeenkomst was betaald.

Dexia heeft de buitengerechtelijke vernietiging niet aanvaard, stellende dat de bevoegdheid daartoe op het moment van de buitengerechtelijke verklaring reeds was verjaard, omdat dat moment meer dan drie jaar later was dan het moment waarop de echtgenote bekend was met het bestaan van de leaseovereenkomst (vgl. art. 3:52 lid 1 BW), welk moment omstreeks 20 oktober 2000 was.

Appellant heeft zich tegen dit beroep op verjaring verweerd met een beroep op de stuitende werking van de door Stichting Eegalease e.a. uitgebrachte dagvaarding in de collectieve actie jegens Dexia. Deze dagvaarding was op 13 maart 2000 uitgebracht. In die procedure heeft de rechtbank op 25 augustus 2004 uitspraak gedaan. In het door Dexia ingestelde hoger beroep is een schikking tot stand gekomen en uiteindelijk hebben partijen de collectieve Duisenberg-regeling tot stand gebracht, welke overeenkomst op 25 januari 2007 door het Amsterdamse hof verbindend is verklaard (vgl. art. 7:907 BW). Appellant heeft verklaard niet aan deze Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn (art. 7:908 lid 2 BW).

En daarmee rees voor het hof de vraag welke betekenis de stuitende werking van de dagvaarding in de collectieve actie heeft voor de bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging, in het bijzonder nu de betrokkene heeft aangegeven niet aan de collectieve Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn. Het hof heeft zich met twee prejudiciële vragen tot de Hoge Raad gewend. De eerste vraag is of de stuitende werking van een collectieve vordering ex art. 3:316 BW zich ook uitstrekt tot de verjaring van de aan een individu toekomende buitengerechtelijke bevoegdheid tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW. Zo ja, luidt de tweede vraag, leidt dan een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van vóór het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken tot hetzelfde rechtsgevolg als het instellen van een nieuwe eis in de zin van die bepaling?

De Hoge Raad

De Hoge Raad brengt eerst in herinnering dat voor een effectenleaseovereenkomst toestemming van de echtgenote is vereist en dat de overeenkomst bij gebreke daarvan vernietigbaar is (art. 1:188 jo 1:89 BW). Verder blijkt uit art. 3:49 BW dat een vernietigbare rechtshandeling kan worden vernietigd door een buitengerechtelijke verklaring of door een rechterlijke uitspraak. De rechtsvordering tot vernietiging verjaart drie jaar nadat de bevoegdheid daartoe aan de betrokkene ten dienst is komen te staan (art. 3:52 lid 1 BW). Art. 3:52 lid 2 BW bepaalt verder dat de rechtshandeling na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring kan worden vernietigd.

“3.3.3 (…) Aan dit voorschrift ligt de regel ten grondslag dat een bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging gelijktijdig verjaart met de rechtsvordering tot vernietiging, waaruit volgt dat deze bevoegdheid ook niet verjaart voordat die rechtsvordering door verjaring wordt getroffen.”

Uit deze regeling vloeit voort, zo vervolgt de Hoge Raad, dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat voor het antwoord op de eerste vraag moet worden beoordeeld of door het instellen van een collectieve actie (ook) de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging wordt gestuit.

Reikwijdte stuitende werking van collectieve actie

Bij de beantwoording van de eerste vraag wijst de Hoge Raad op de strekking van de collectieve actie ex art. 3:305a BW (te weten: effectieve en efficiënte rechtsbescherming aan de personen voor wier belangen de 305a-rechtspersoon opkomt) en de parlementaire geschiedenis bij dit artikel. Daaruit leidt de Hoge Raad af (1) dat met het instellen van een collectieve actie ex art. 3:316 lid 1 BW de verjaring van de individuele vorderingen van de belanghebbenden kan worden gestuit en (2) dat ook aan een vordering tot verklaring voor recht stuitende werking kan toekomen, voor zover het gaat om de verjaring van individuele vorderingen die bij die verklaring voor recht aansluiten.

De Hoge Raad volgt Dexia niet in haar betoog dat de stuitende werking van een collectieve actie zich beperkt tot vorderingen tot schadevergoeding, met uitsluiting van andere vorderingen:

“3.4.2 (…) Blijkens de op art. 3:305a BW gegeven toelichting kunnen op grond van die bepaling alle vorderingen, behoudens die tot schadevergoeding, als collectieve actie worden ingesteld, waaronder uitdrukkelijk ook die tot vernietiging van overeenkomsten die door de individuele belanghebbenden zijn aangegaan, en kan terzake, zoals in dit geval is gebeurd, een verklaring voor recht worden gevorderd (Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 24-26). De belangen van individuele gerechtigden bij vernietiging van overeenkomsten als hier aan de orde lenen zich dan ook in beginsel voor bundeling in een daarbij aansluitende vordering op de voet van art. 3:305a BW. Indien een dergelijke vordering wordt ingesteld, past bij de met de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van stuitingshandelingen of buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst.”

Invloed van opting-out

In rov. 3.4.3 vervolgt de Hoge Raad dat ook het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring niet tot gevolg heeft dat de belanghebbende die zich aan de collectieve regeling onttrokken heeft zich niet meer op de stuitende werking van de collectieve actie kan beroepen.

“De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.”

Collectieve schikking; tijdige vervolgactie?

De tweede vraag houdt verband met art. 3:316 lid 2 BW, waarin is bepaald dat wanneer de procedure op andere wijze dan door toewijzing van de vordering eindigt (bijvoorbeeld, zoals in dit geval, door een schikking) de verjaring dient te worden gestuit binnen zes maanden na beëindiging van het geding door het instellen van een nieuwe eis.

De Hoge Raad merkt op dat het uitbrengen van een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring niet is aan te merken als een nieuwe eis in de zin van art. 3:316 BW, maar ziet niettemin aanleiding om een dergelijke verklaring daarmee op één lijn te stellen (zie rov. 3.5.3).

“3.5.4 Uit de op art. 3:305a BW gegeven toelichting blijkt niet dat is gedacht aan het bijzondere geval van de in art. 3:52 lid 2 BW geregelde verjaring van de bevoegdheid om een overeenkomst buitengerechtelijk te vernietigen.

Zoals hiervoor in 3.4.2-3.4.4 is overwogen, is het uit een oogpunt van effectieve en efficiënte rechtsbescherming wenselijk dat een gerechtigde na stuiting van de verjaring door de collectieve actie vooralsnog kan afzien van stuitingshandelingen en van buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst. Nu de wet een partij die een rechtshandeling kan vernietigen de mogelijkheid biedt om, in plaats van het instellen van een rechtsvordering tot vernietiging, een daartoe strekkende buitengerechtelijke verklaring uit te brengen, zou afbreuk worden gedaan aan het doel van effectieve en efficiënte rechtsbescherming indien de stuitende werking van een collectieve actie in dat geval slechts zou kunnen worden behouden door het in rechte instellen van een tot vernietiging strekkende vordering.”

En dus beantwoordt de Hoge Raad de beide prejudiciële vragen bevestigend:

1.De stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW strekt zich uit tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW en leidt ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW ertoe dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit.

2.Een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als bedoeld in vraag 1 die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is tijdig uitgebracht.

Share This