HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586 (MFE/KF c.s.)

Voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub b BW is niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden.

In dit geding vordert handelsonderneming MFE 55 miljoen euro van geneesmiddelenproducent KF. De vordering heeft betrekking op het (beweerde) positieve contractsbelang ter zake van een mislukt samenwerkingsproject, betreffende de import van een uit India afkomstig laxeermiddel. In een eerdere (hoofd)procedure is komen vast te staan dat KF jegens MFE aansprakelijk is wegens wanprestatie onder een tussen partijen tot stand gekomen “basisovereenkomst”. In de onderhavige (schadestaat)procedure heeft het hof de vordering van MFE alsnog volledig afgewezen. Volgens het hof was het door MFE te bewijzen causaal verband niet komen vast te staan, omdat onduidelijk was of de Indiase sub-contractanten de voor Europese registratie van het laxeermiddel vereiste goedkeuring (“site-clearance”) zouden verkrijgen.

MFE is in cassatie gekomen met diverse klachten, maar de Hoge Raad behandelt alleen de vraag of MFE aanspraak heeft op vergoeding van buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, zoals bedoeld in art. 6:96 lid 2 sub b BW. Het hof had, zonder nadere onderbouwing, geoordeeld van niet. Kennelijk achtte het hof het vanzelfsprekend dat, indien er geen schade komt vast te staan, ook geen plaats is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

Dat oordeel is echter onjuist, zo zet de Hoge Raad onder verwijzing naar vaste rechtspraak uiteen:

“3.5 (…) Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:

(a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;

(b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;

(c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en

(d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is echter niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423, NJ 2005/50).”

Op dit punt volgt derhalve vernietiging en verwijzing, conform de conclusie van A-G Spier. Het verwijzingshof zal, met inachtneming van de onder (a) tot en met (d) vermelde vereisten (causaliteit, toerekening en de dubbele redelijkheidstoets), alsnog moeten beoordelen of en, zo ja, in hoeverre de buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij is van belang dat (dus) het enkele feit dat er geen voor vergoeding in aanmerking komende schade is vastgesteld, nog niet betekent dat de daartoe gemaakte buitengerechtelijke kosten (geheel of gedeeltelijk) onredelijk in de zin van art. 6:96 lid 2 BW moeten worden geacht. Ter vergelijking zij hier gewezen op een arrest uit 2013 (CB 2013-64), waarin de Hoge Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat slechts een klein gedeelte van de vordering is toegewezen, nog niet meebrengt dat alle gevorderde kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte van dat bedrag, niet redelijk zijn geweest in de zin van art. 6:96 lid 2 sub c BW.

A-G Spier nam overigens in zijn conclusie al een voorschot op de causaliteits- en redelijkheidstoetsing na verwijzing: in zijn visie zou in casu “slechts een (klein) deel” van de gevorderde buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen (sub 4.70.2).

Share This