Selecteer een pagina

HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413

In beginsel brengt de aard van de functie van bestuurder van een rechtspersoon mee dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon. Dit kan echter onder bijzondere omstandigheden anders zijn.

Achtergrond van de zaak

Twee bestuurders en een commissaris van HDI, een verzekeraar die zich specialiseert in het aanbieden van schadeverzekeringen voor bedrijven, richten op 5 december 2007 Treston op, een rechtspersoon naar Arubaans recht. Op 7 april 2008 draagt HDI haar Arubaanse verzekeringsportefeuille over aan Treston, tegen een koopsom van 1 Arubaanse florin. Treston kreeg daardoor recht op de premiebetalingen. Vervolgens werden tussen Treston en HDI herverzekeringscontracten gesloten. De bestuurders en commissaris ontvingen daarbij provisie.

Feitelijke instanties

HDI heeft de bestuurders en commissaris ontslagen. Zij heeft op onrechtmatige daad en onbehoorlijk bestuur gebaseerde vorderingen ingesteld tegen deze personen, alsmede op onrechtmatige daad gebaseerde vorderingen tegen Treston. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de zojuist genoemde (rechts)personen jegens HDI hoofdelijk aansprakelijk zijn en hen veroordeeld tot vergoeding van de daardoor door HDI geleden schade.

In reconventie heeft Treston gevorderd voor recht te verklaren dat HDI onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen van beslagen, en HDI te veroordelen tot schadevergoeding. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartegen komt (alleen) Treston in cassatie op.

Hoge Raad

In cassatie klaagt Treston onder meer over het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in 2013 is gaan lopen, omdat HDI pas op dat moment op de hoogte raakte van de achterliggende belangen van de desbetreffende bestuurders en commissaris bij de door hen opgezette herverzekeringsconstructie.

Volgens Treston heeft het hof daarmee miskend dat de wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon heeft te gelden als wetenschap van die rechtspersoon. Uitgaande van die rechtsopvatting zou de verjaringstermijn uiterlijk zijn gaan lopen in 2008. Toen wist HDI – via de desbetreffende bestuurders – immers al van de herverzekeringsconstructie.

De Hoge Raad stelt voorop dat de aard van de functie van bestuurder in beginsel meebrengt dat zijn wetenschap in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als wetenschap van de rechtspersoon. Dit kan echter onder bijzondere omstandigheden anders zijn (r.o. 3.2.2).

Volgens de Hoge Raad komt het oordeel van het hof erop neer dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Dat oordeel getuigt volgens hem niet van een onjuiste rechtsopvatting:

“In de door het hof vastgestelde omstandigheden ligt immers besloten dat Treston met het oog op eigen financieel voordeel eraan heeft meegewerkt dat (de niet geconflicteerde leden van) de raad van bestuur en de raad van commissarissen van HDI onkundig werden gehouden van de belangenverstrengeling van de drie betrokken functionarissen en hun persoonlijke financiële belangen bij de herverzekeringsconstructie, en dat het handelen van Treston aldus erop gericht was te voorkomen dat HDI rechtsmaatregelen tegen haar (en de drie betrokken functionarissen) zou treffen. Dat kan de conclusie dragen dat in de verhouding tussen HDI en Treston de wetenschap van de drie betrokken functionarissen in het maatschappelijk verkeer niet heeft te gelden als wetenschap van HDI en daarmee ook het oordeel dat de verjaringstermijn van de rechtsvordering tegen Treston niet is aangevangen.” (r.o. 3.2.4)

Treston had ook een beroep gedaan op de strekking van de in art. 3:321 lid 1, aanhef en onder d, BW in verbinding met art. 3:320 BW neergelegde verlengingsgrond voor de verjaring tussen rechtspersonen en hun bestuurders. Deze verlengingsgrond veronderstelt volgens Treston toerekening van de wetenschap van de bestuurder aan de rechtspersoon. De Hoge Raad verwerpt dit betoog. De bepalingen gaan volgens hem over de verlenging van de verjaring, niet over haar aanvang (r.o. 3.3).

Volgt verwerping van het beroep.

Share This