Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: BW art. 3:310 lid 1


HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1764

De verjaring van een vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een inbreuk op het Europese kartelverbod (follow-onvordering) vangt in beginsel aan op het moment waarop de boetebeschikking van de Europese Commissie bekend is geworden. Het is niet in strijd met het subjectieve karakter van art. 3:310 lid 1 BW als de rechter tot uitgangspunt neemt dat de benadeelde partij op dat moment bekend werd met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij het aan de benadeelde partij is om dat te ontzenuwen. Een stuitingshandeling moet door of namens elke (rechts)persoon die schade vordert zijn verricht; niet voldoende is dat is gestuit door een andere rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde onderneming (in mededingingsrechtelijke zin).  (meer…)

HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:19

De aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW vereist daadwerkelijke bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon. Bij de beoordeling of de benadeelde daadwerkelijk bekend was met het tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon dient de rechter te betrekken of de benadeelde over de kennis en het inzicht beschikte om de deugdelijkheid van het handelen te kunnen beoordelen. (meer…)

HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18

(i) Om de aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW vast te stellen, moet de rechter beoordelen of de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op (i) de schade – dus dat nadeel wordt geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van een derde – en (ii) de aansprakelijke persoon. Bij de beoordeling of de benadeelde daadwerkelijk bekend was met het tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon dient de rechter te betrekken of de benadeelde over de kennis en het inzicht beschikte om de deugdelijkheid van het handelen te kunnen beoordelen;
(ii) Het is niet zo dat bij een schending van een zorgplicht door een bank van daadwerkelijke bekendheid van de cliënt met de schade en de aansprakelijke persoon pas sprake kan zijn als de cliënt op de hoogte is van de inhoud van de zorgplicht; (meer…)

HR 12 januari 2024 (kredietnemers / Deutsche Bank) ECLI:NL:HR:2024:18 en ECLI:NL:HR:2024:19 

De Hoge Raad laat zich in twee arresten uit over de verjaring van zorgplichtschendingen. De rechter moet ook vaststellen wanneer de benadeelde voldoende zekerheid had dat zijn schade het gevolg is van foutief handelen van de aansprakelijke partij. In drie minuten bespreekt Matthijs Bakker deze arresten.

Om deze video te bekijken moeten de marketingcookies worden toegestaan.

Cassatievlog #083 is ook als podcast beschikbaar.

HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653

De rechter hoeft in het kader van een beroep op verjaring niet steeds na te gaan of de benadeelde beschikt over de kennis of het inzicht om te beoordelen of de geleverde prestatie deugdelijk is. De rechter is slechts tot een dergelijke beoordeling gehouden, wanneer de omstandigheden van het geval en hetgeen partijen op dit punt hebben aangevoerd daartoe aanleiding geven. (meer…)

Cassatieblog.nl