Selecteer een pagina

HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1764

De verjaring van een vordering tot vergoeding van schade die voortvloeit uit een inbreuk op het Europese kartelverbod (follow-onvordering) vangt in beginsel aan op het moment waarop de boetebeschikking van de Europese Commissie bekend is geworden. Het is niet in strijd met het subjectieve karakter van art. 3:310 lid 1 BW als de rechter tot uitgangspunt neemt dat de benadeelde partij op dat moment bekend werd met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, waarbij het aan de benadeelde partij is om dat te ontzenuwen. Een stuitingshandeling moet door of namens elke (rechts)persoon die schade vordert zijn verricht; niet voldoende is dat is gestuit door een andere rechtspersoon die deel uitmaakt van dezelfde onderneming (in mededingingsrechtelijke zin). 

Inleiding

Op 28 november 2025 deed de Hoge Raad twee uitspraken over zogenoemde follow-onvorderingen, schadevorderingen naar aanleiding van een door de Europese Commissie vastgestelde inbreuk op het Europese kartelverbod (inmiddels art. 101 VWEU). Beide zaken komen voort uit het lift- en roltrapkartel, dat in Nederland van 1998 tot 2005 heeft bestaan en waarvoor de Europese Commissie boetes van in totaal € 992 miljoen heeft opgelegd aan vijf lift- en roltrapfabrikanten, waaronder Otis en Kone.

Naar aanleiding hiervan hebben verschillende partijen schadevorderingen ingesteld. De hier besproken uitspraak ziet op de procedures die Stichting Elevator Cartel Claim (SECC) aanhangig heeft gemaakt tegen Kone. In deze uitspraak gaat de Hoge Raad in op het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van dit soort schadevorderingen.

De uitspraak die de Hoge Raad op dezelfde datum heeft gedaan in de zaken tussen Stichting De Glazen Lift (DGL) tegen respectievelijk Kone en Otis ziet op de verhouding tussen de hoofdzaak en de schadestaatprocedure; zie daarover CB 2025-170.

Procedure

De beschikking waarbij de Europese Commissie boetes heeft opgelegd aan de liftfabrikanten dateert van 21 februari 2007. De publieke versie daarvan is op 4 maart 2008 gepubliceerd op de website van de Europese Commissie, en op 26 maart 2008 in het Publicatieblad van de Europese Unie.

SECC is op 15 december 2010 opgericht en heeft vorderingen van 122 bedrijven en andere organisaties die stellen schade te hebben geleden (hierna: de claimhouders) aan zich laten cederen.

Bij brief van 13 februari 2017 aan Kone heeft SECC onder meer meegedeeld dat zij inmiddels drie procedures bij de rechtbank Rotterdam is begonnen ter verkrijging van vergoeding van door afnemers van de liftfabrikanten geleden schade. In de brief staat dat die moet worden opgevat als handeling tot stuiting van de verjaring van deze schadevorderingen.

In deze procedures vordert SECC een verklaring voor recht dat Kone jegens de claimhouders onrechtmatig heeft gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk is voor de door hen geleden schade.

De rechtbank heeft een deel van de vorderingen toegewezen, maar ook geoordeeld dat de vorderingen van 14 van de claimhouders zijn verjaard. Het hof heeft die beslissing bekrachtigd. Daartegen stelt SECC cassatieberoep in.

Hoge Raad: verjaring vangt in beginsel aan met beschikking Europese Commissie

SECC klaagt in cassatie ten eerste dat het oordeel van het hof onverenigbaar is met de Kartelschaderichtlijn (2014/104/EU), die is geïmplementeerd in art. 6:193s BW e.v. Die Richtlijn en de daarop gebaseerde Nederlandse wetsbepalingen zijn in dit geval weliswaar temporeel niet van toepassing, maar het hof was wel gehouden de Nederlandse wet richtlijnconform toe te passen, aldus het middel.

De Hoge Raad acht deze klacht ongegrond, omdat het oordeel van het hof in lijn is met rechtspraak van het HvJEU over de verjaring van follow-onvorderingen. In het arrest Heureka/Google (ECLI:EU:C:2024:324),heeft het HvJEU, kort gezegd, geoordeeld dat het aan de nationale rechter is om te bepalen wanneer de verjaringstermijn van een dergelijke vordering is aangevangen, maar dat het HvJEU daarvoor richtsnoeren kan geven. Het HvJEU heeft in dat verband overwogen dat het moment waarop de verjaring aanvangt samenvalt met de bekendmaking van de samenvatting van het desbetreffende besluit van de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie, mits de inbreuk op dat moment is geëindigd. Het is ook mogelijk dat de benadeelde eerder beschikte over de gegevens die hij nodig had om een schadevordering in te stellen; het is dan aan degene die wordt aangesproken om aan te tonen dat dat het geval is.

In dit geval had het hof overwogen dat de claimhouders in maart 2008, dus na publicatie van het besluit van de Europese Commissie op zijn website en/of het Publicatieblad, alle informatie hadden die zij nodig hadden om een vordering tot vergoeding van de geleden schade in te stellen. Dat oordeel is, zo overweegt de Hoge Raad, in lijn met (de rechtspraak van het HvJEU over) de regeling van verjaring van schadevorderingen onder de Kartelschaderichtlijn.

Claimhouders daadwerkelijk bekend met schade en daarvoor aansprakelijke persoon?

Een tweede klacht is dat dit oordeel van het hof dat voor aanvang van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van de schadelijdende partij met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon vereist is. Volgens het cassatiemiddel had het hof niet daadwerkelijke bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon mogen aannemen op basis van de enkele beschikbaarheid van de Beschikking of de samenvatting daarvan.

Volgens de Hoge Raad faalt ook deze klacht. Het hof heeft aan de beschikbaarheid van de Beschikking het vermoeden ontleend dat de claimhouders daadwerkelijk bekend waren met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Daarmee heeft het hof niet het subjectieve karakter van art. 3:310 lid 1 BW miskend.

Het hof heeft ook overwogen dat SECC niets heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de individuele claimhouders met het beschikbaar worden van de beschikking niet beschikten over voldoende informatie om een vordering in te stellen. Daarmee is het hof, aldus de Hoge Raad, niet van een onjuiste bewijslastverdeling uitgegaan.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere rechtspraak waarin is uitgemaakt dat het aan degene die zich op verjaring beroept is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat en wanneer de verjaringstermijn is aangevangen (HR  6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900). Daarmee is niet in strijd dat het hof aan het beschikbaar worden van de beschikking het vermoeden heeft ontleend dat de claimhouders toen bekend waren met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, en vervolgens (kennelijk) heeft overwogen dat het aan de claimhouders is om dat vermoeden te ontzenuwen.

Verjaring gestuit voor alle onderdelen van een ‘onderneming’?

Tot slot behandelt de Hoge Raad de klacht dat uit rechtspraak van het HvJEU zou volgen dat een stuitingshandeling door een deel van een ‘onderneming’ ook werking heeft voor de andere delen van die onderneming, ook als die niet zelf een stuitingshandeling hebben verricht.

Dit oordeel is eveneens ongegrond, aldus de Hoge Raad, die daarvoor verwijst naar onderdelen 3.39-3.42 van de conclusie van A-G Drijber.

Die zet op die plaats uiteen dat er rechtspraak is van het HvJEU (de arresten Skanska (ECLI:EU:C:2019:204) en Sumal (ECLI:EU:C:2021:800) waaruit blijkt dat schadevorderingen voortkomend uit een kartel kunnen worden ingesteld tegen de gehele deelnemende onderneming. Het begrip ‘onderneming’ uit het mededingingsrecht ziet op de gehele economische eenheid, en niet op de individuele vennootschappen of rechtspersonen die daarvan deel uitmaken.

Volgens de A-G ziet die rechtspraak dus op de vraag tegen welke vennootschappen of rechtspersonen een schadevordering kan worden ingesteld, en is die niet relevant voor de vraag door welke vennootschap een vordering kan worden ingesteld, en door of namens wie de verjaring daarvan kan worden gestuit. Dat wordt bepaald door het recht van de lidstaat waar wordt geprocedeerd, in dit geval het Nederlandse recht, en daarin is nodig dat de verjaring van een vordering door of namens elke (rechts)persoon wordt gestuit. Dat is niet in strijd met het Europese doeltreffendheidsbeginsel, zeker in aanmerking genomen dat het naar Nederlands recht eenvoudig is om te stuiten (een vormvrije brief is voldoende).

De Hoge Raad volgt de A-G dus hierin, net als op de andere punten.

Share This

Cassatieblog.nl