Selecteer een pagina

HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761

In deze procedure over vergoeding van schade die is ontstaan door een inbreuk op het Europese kartelverbod heeft het hof terecht geoordeeld dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is als de eiser in de kartelperiode minimaal één transactie is aangegaan met een van de karteldeelnemers. Daarmee is de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure (art. 612 Rv) behaald.

Inleiding

Op 28 november 2025 deed de Hoge Raad twee uitspraken over zogenoemde follow-on vorderingen, schadevorderingen naar aanleiding van een door de Europese Commissie vastgestelde inbreuk op het Europese kartelverbod (art. 101 VWEU). Beide zaken komen voort uit het lift- en roltrapkartel, dat in Nederland van 1998 tot 2005 heeft bestaan en waarvoor de Europese Commissie boetes van in totaal € 992 miljoen heeft opgelegd aan vijf lift- en roltrapfabrikanten, waaronder Otis en Kone. Volgens de Europese Commissie is sprake van één enkele voortdurende inbreuk (single and continuous infringement) op het Europese kartelverbod.

Naar aanleiding hiervan hebben verschillende partijen schadevorderingen ingesteld. De hier besproken uitspraak ziet op twee zaken, tegen respectievelijk Otis en Kone, die aanhangig zijn gemaakt door Stichting De Glazen Lift (DGL), die woningbouwcorporaties vertegenwoordigt die schade stellen te hebben geleden als gevolg van het kartel. De Hoge Raad gaat in op de verhouding tussen de schadestaatprocedure en de hoofdzaak, specifiek de vraag of de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is gemaakt.

De uitspraak die de Hoge Raad op dezelfde datum heeft gedaan in de zaken tussen Stichting Elevator Cartel Claim (SECC) en Kone gaat over het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van dit soort schadevorderingen, zie daarover CB 2025-169.

Procedure

In deze procedure vordert DGL, samengevat, een verklaring voor recht dat Otis en Kone in strijd hebben gehandeld met (het huidige) art. 101 VWEU, althans onrechtmatig hebben gehandeld jegens de woningbouwcorporaties, en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade, op te maken bij staat.

De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen, en het hof heeft die uitspraak (vrijwel geheel) bekrachtigd. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende is dat de woningbouwcorporatie in de periode waarin Kone en Otis deelnamen aan het kartel een transactie met een van hen zijn aangegaan.

Daarbij betrekt het hof onder meer dat het kartel zich uitstrekte tot het gehele grondgebied van Nederland en dat de deelnemers de markt voor installatie, modernisering en onderhoud van liften en roltrappen hiermee onderling verdeelden. Omdat het effect van de inbreuk de gehele markt beïnvloedde, kan volgens het hof in het midden blijven of het kartel daadwerkelijk alle transacties voor installatie, modernisering en onderhoud heeft beïnvloed.

In cassatie klagen Otis en Kone dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure hiermee niet is gehaald. Volgens hen moet aannemelijk zijn dat de transactie die is aangegaan er één is waarop de kartelafspraken effect hadden, oftewel waarvoor een meerprijs is betaald. DGL heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld en onder meer geklaagd dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure voldoende is dat een woningbouwcorporatie gedurende de kartelperiode een lift of roltrap in eigendom had.

Hoge Raad: drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is gehaald

De Hoge Raad stelt voorop dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure op de voet van art. 612 Rv voldoende is dat (i) de grondslag van aansprakelijkheid van de schuldenaar vaststaat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en, (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure voor de rechter niet mogelijk is (rov. 3.2.3).

In de hoofdprocedure moet dus, aldus de Hoge Raad, de grondslag voor de aansprakelijkheid van de aansprakelijke partij worden vastgesteld. Dat is in dit geval de onrechtmatige deelname van Otis en Kone aan het kartel. Dat gegeven, gecombineerd met het (in cassatie tevergeefs bestreden) oordeel van het hof dat het kartel een prijsopdrijvend effect heeft gehad, maakt het volgens de Hoge Raad inderdaad aannemelijk dat een woningbouwcorporatie die gedurende het kartel minimaal één transactie met een karteldeelnemer is aangegaan daardoor schade heeft geleden.

Wél verwerpt de Hoge Raad de klacht uit het incidentele beroep dat voor de mogelijkheid van schade voldoende is dat de woningbouwcorporatie gedurende het kartel een lift of roltrap in eigendom had (rov. 3.2.6-3.2.7). Die lift of roltrap kan immers ook buiten de kartelperiode zijn gekocht of door een ander dan de karteldeelnemers zijn onderhouden of gemoderniseerd.

De Hoge Raad merkt verder nog op dat voor de beoordeling of de mogelijkheid van schade aannemelijk is, niet eerst hoeft vast te staan of de benadeelden één schadevordering hebben bestaande uit alle transactie die zij met de karteldeelnemers zijn aangegaan, dan wel één schadevordering hebben per transactie. In de truckkartel- en luchtvrachtkartelzaken heeft de Hoge Raad aan het HvJEU gevraagd of dit voortvloeit uit het begrip single and continuous infringement (zie HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en ECLI:NL:HR:2025:946; zie CB 2025-94), in het kader van het vaststellen van het op deze schadevorderingen toepasselijke recht. Het antwoord op die vragen hoeft niet te worden afgewacht om te beoordelen of de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Tot slot verwerpt de Hoge Raad de klacht in het incidentele beroep dat Kone ook hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die optrad buiten de periode waarin zij feitelijk aan het kartel deelnam. De Hoge Raad overweegt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat Kone niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór haar deelname, ook niet op grond van art. 6:166 BW. Die bepaling brengt niet mee dat een deelnemer aan een groep aansprakelijk is voor schade die in groepsverband is toegebracht voorafgaand aan het moment waarop hij aan de groep is gaan deelnemen.

De Hoge Raad verwerpt dus alle klachten, zowel in het principale als in het incidentele beroep. Hiermee volgt de Hoge Raad de conclusie van A-G Drijber. Daarin gaat de A-G uitgebreid in op het recht om volledige vergoeding te vorderen van schade die het gevolg is van een inbreuk op het Europese kartelverbod (punt 3.45 e.v.). In punt 3.95 e.v. gaat hij in op het doorberekeningsverweer (passing-on defence) van Kone en Otis, welke klachten de Hoge Raad verwerpt met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

Share This

Cassatieblog.nl