Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Beding in de polisvoorwaarden is geen oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13/EEG

CB 2018-155 Geplaatst op 02 oktober 2018 door

HR 28 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1800

Het beding in de polisvoorwaarden waarin is bepaald dat de verzekeraar de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelt aan de hand van de door haar aan te wijzen medische en andere deskundigen en dat de verzekerde geacht wordt de vaststelling van de verzekeraar te hebben aanvaard als niet binnen 30 dagen bezwaar is gemaakt, is geen oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

Achtergrond en procesverloop

De achtergrond van deze zaak is een geschil tussen een verzekerde en zijn verzekeraar. De verzekerde heeft zich in 2007 bij de verzekeraar arbeidsongeschikt gemeld, waarna de verzekeraar tot eind 2013 uitkeringen heeft betaald aan de verzekerde. Uiteindelijk is door de verzekeraar de uitkering per 31 december 2013 geheel gestaakt, omdat volgens haar per die datum de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg en de verzekerde op grond van art. 5 van de polisvoorwaarden in dat geval geen recht op uitkering heeft. Bij brief van 7 oktober 2015 heeft de verzekeraar dit standpunt gehandhaafd onder verwijzing naar een nieuwe arbeidsdeskundige rapportage. Van belang is hierbij dat art. 14 van de polisvoorwaarden bepaalt dat de mate van arbeidsongeschiktheid, de omvang van de uitkering en de periode waarvoor deze zal gelden, worden vastgesteld door de verzekeraar aan de hand van gegevens van de door de verzekeraar aan te wijzen medische en andere deskundigen.

In dit geding vordert de verzekerde een verklaring voor recht dat hij vanaf 24 oktober 2007 volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht, en veroordeling van de verzekeraar tot uitkering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van die datum op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Daartoe voert hij onder meer aan dat art. 14 van de polisvoorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PbEU 1993, L 95/29; hierna: Richtlijn 93/13) en dat de met toepassing van die bepaling opgemaakte rapportages buiten beschouwing moeten worden gelaten. De rechtbank heeft in verband met deze stelling van de verzekerde de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. Welke gezichtspunten moeten in aanmerking worden genomen bij het vaststellen of een arbeidsongeschiktheidsverzekering door een verzekerde wordt aangegaan als consument? Is daarbij van belang door wie, verzekerde dan wel een derde, waaronder zijn bedrijf, de verzekeringspremie wordt betaald?

2. Is artikel 14 van de polisvoorwaarden voor consumenten een oneerlijk beding in de zin van richtlijn 93/13/EEG, zowel ten aanzien van het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid door de door Nationale-Nederlanden aangewezen deskundigen, als ten aanzien van de bezwaartermijn van 30 dagen?

3. Is bij de beantwoording van vraag 2 van belang of een verzekerde op grond van de verzekeringsovereenkomst, dan wel op grond van beleid van de verzekeraar, een herbeoordeling (second opinion) kan vragen door een door hemzelf dan wel in overleg met de verzekeraar aangewezen deskundige? Zijn er nog andere feitelijke omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het antwoord op vraag 2?

Indien artikel 14 van de polisvoorwaarden als een oneerlijk beding moet worden aangemerkt, heeft de rechtbank nog de navolgende vragen:

4. Wat is de bewijsrechtelijke status van de rapportages die reeds op grond van artikel 14 van de polisvoorwaarden tot stand zijn gekomen? Kunnen die nog op enigerlei wijze, geheel of gedeeltelijk, worden gebruikt in een procedure? Maakt het daarbij nog verschil of
a. de rapportages zijn opgemaakt door een externe deskundige dan wel door een deskundige in (loon)dienst van de verzekeraar?
b. de verzekerde al dan niet commentaar heeft kunnen leveren op de conceptrapportages?
c. de verzekerde al dan niet bezwaar heeft gemaakt tegen de persoon van de deskundige en/of de inhoud van de (concept)rapportages?
d. de verzekerde was voorzien van juridische bijstand ten tijde van het opmaken van de rapportages?
e. de rapportages betrekking hebben op verleden, heden of toekomst?

5. Indien een nieuw deskundigenonderzoek dient plaats te vinden, mag de te benoemen deskundige dan geheel of gedeeltelijk kennis nemen van de op grond van artikel 14 van de polisvoorwaarden tot stand gekomen rapportages?”

Vraag 1: Wordt de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangegaan als consument?

De eerste prejudiciële vraag stelt aan de orde welke gezichtspunten in aanmerking moeten worden genomen bij het vaststellen of een arbeidsongeschiktheidsverzekering door een verzekerde wordt aangegaan als consument en of daarbij van belang is door wie de verzekeringspremie wordt betaald. Het antwoord op deze vraag is van belang, nu Richtlijn 93/13 – waar de verzekerde zich op beroept – alleen van toepassing is op overeenkomsten met consumenten.

Een consument is volgens art. 2, onder b, Richtlijn 93/13 iedere natuurlijke persoon die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Om te beoordelen of sprake is van een consument moet – zo overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie – worden vastgesteld met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft. Hierbij heeft te gelden dat ook als een natuurlijke persoon een overeenkomst (mede) aangaat ten behoeve van een bedrijf, de betrokkene nog steeds als consument kan worden aangemerkt, mits hij zelf geen functionele banden heeft met het bedrijf.

De Hoge Raad beantwoordt de eerste prejudiciële vraag als volgt:

“3.4.3 In een geval als dat waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben gaat het om een natuurlijke persoon die als zelfstandig ondernemer een beroep of bedrijf uitoefent en een verzekering afsluit met het doel om, ingeval hij dat beroep of bedrijf door gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid niet of slechts beperkt kan uitoefenen, met een uitkering uit hoofde van die verzekering in vervangend inkomen te voorzien. Aldus maakt de verzekering geen deel uit van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de ondernemer en wordt deze verzekering ook niet ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsactiviteit afgesloten. Het doel daarvan is immers juist dat de ondernemer als privépersoon op alternatieve wijze in zijn levensonderhoud kan voorzien als de mogelijkheid tot verwerving van inkomen uit het beroep of bedrijf wegvalt of wordt beperkt. In een dergelijk geval is de betrokkene de overeenkomst dan ook als consument aangegaan. Daarbij is niet van belang of zijn verplichting om als verzekeringnemer premie te betalen, feitelijk door een derde wordt nagekomen.”

Vraag 2 en 3: Is art. 14 van de polisvoorwaarden een oneerlijk beding?

De tweede vraag stelt aan de orde of art. 14 van de polisvoorwaarden (hierna: het beding) voor consumenten een oneerlijk beding is in de zin van Richtlijn 93/13, zowel ten aanzien van het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid door de door de verzekeraar aangewezen deskundigen, als ten aanzien van de bezwaartermijn van 30 dagen. De derde vraag stelt aan de orde of daarbij van belang is of een verzekerde op grond van de verzekeringsovereenkomst, dan wel op grond van beleid van de verzekeraar, een herbeoordeling (second opinion) kan vragen door een door hemzelf dan wel in overleg met de verzekeraar aangewezen deskundige, en welke andere feitelijke omstandigheden een rol kunnen spelen. De Hoge Raad beantwoordt deze twee vragen gezamenlijk.

Voordat de Hoge Raad tot beantwoording van deze vragen overgaat, overweegt hij dat het beding geen kernbeding is als bedoeld in art. 4 lid 2 van de Richtlijn 93/13 en art. 6:231, aanhef en onder a BW, waardoor het beding niet om die reden is uitgezonderd van de beoordeling op oneerlijkheid. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de betekenis van het beding niet uit de tekst ervan volgt en dat zowel de Richtlijn 93/13 als art. 6:238 lid 2 BW bij twijfel over de betekenis van het beding de voor de consument gunstigste interpretatie voorschrijven (de contra proferentem-regel). Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad ervan uit dat het beding aldus moet worden uitgelegd dat de in de eerste zin daarvan beschreven procedure leidt tot een standpunt van de verzekeraar waartegen de verzekerde bezwaar kan maken dat de verzekerde (al dan niet na onderzoek door een door hemzelf ingeschakelde deskundige) ter beoordeling kan voorleggen aan een klachtcommissie of de rechter, ook indien hij de in het beding genoemde bezwaartermijn niet heeft benut.

Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Om te bepalen of sprake is van een dergelijke aanzienlijke verstoring van het evenwicht, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter na te gaan of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.

De Hoge Raad overweegt dat in de eerste plaats moet worden vastgesteld wat zou gelden indien het beding niet zou zijn overeengekomen. Volgens de hoofdregel van art. 150 Rv zou het aan dat geval aan de verzekerde zijn om te bewijzen dat hij arbeidsongeschikt is in de zin van de verzekeringsovereenkomst en in welke mate. Schakelt hij daartoe een deskundige in, dan draagt hij hiervan in beginsel zelf de kosten. Als de verzekeraar het standpunt van de verzekerde betwist, dan kan de rechter een deskundige benoemen. Daarbij heeft de verzekerde inspraak bij de aanwijzing van de deskundige en de aan deze te stellen vragen.

Bij gelding van het beding is het de verzekeraar die op zijn kosten onderzoek laat doen naar de (gestelde) arbeidsongeschiktheid van de verzekerde en kan de verzekerde geen aanspraak maken op inspraak bij de keuze van de deskundige(n) en de door deze(n) te beantwoorden onderzoeksvragen. Dit benadeelt de verzekerde – aldus A-G Hartlief – ook wanneer hij eigen deskundigenrapporten in het geding brengt of als later een door de rechter bevolen deskundigenrapport wordt verricht: in dat geval blijft het eerdere, ‘eenzijdige’ rapport immers een rol spelen als bewijsmiddel. De Hoge Raad is ook van mening dat de verzekerde het nadeel heeft dat een rapport wordt verkregen, op de totstandkoming waarvan hij, wat betreft de keuze van de persoon van de deskundige(n) en de door deze(n) te beantwoorden vragen, geen invloed heeft kunnen uitoefenen, maar hij merkt daarbij op dat het rapport van de deskundige geen andere status heeft dan een ‘partij-rapport’ en dat de verzekerde de mogelijkheid heeft de uitkomsten ervan met behulp van eigen onderzoek te betwisten. De Hoge Raad beantwoordt de tweede en derde prejudiciële vraag als volgt:

“3.8.7 Hoewel twijfel kan bestaan over de wenselijkheid van het gebrek aan inspraak bij de aanwijzing van de deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen (zie de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7.30-7.33 weergegeven bezwaren en overwegingen van de Ombudsman Financiële Dienstverlening, de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het Kifid en de Tuchtraad Financiële Dienstverlening), kan, in het licht van hetgeen hiervoor in 3.8.5 en 3.8.6 is overwogen, niet worden geconcludeerd dat het beding een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt als hiervoor in 3.8.2 bedoeld. Het beding, uitgelegd als hiervoor in 3.7.7 vermeld, is dan ook niet oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13.

3.8.8 Zoals blijkt uit het voorgaande luidt het antwoord op de tweede vraag ontkennend. Het antwoord op de derde vraag, welke gezichtspunten en omstandigheden bij de beantwoording van de tweede vraag in aanmerking zijn genomen, ligt hierin besloten.”

Om de Hoge Raad de tweede prejudiciële vraag ontkennend beantwoordt, behoeven de vierde en vijfde prejudiciële vraag geen beantwoording.

email print