Selecteer een pagina

HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3623 (KCMD/Verweerder)

Door te oordelen dat KCMD ingevolge art. 8.7 van het sociaal plan gebonden was aan het oordeel van de krachtens het sociaal plan ingestelde bezwarencommissie over de tussen partijen gerezen uitlegvraag, heeft het hof niet miskend dat afstand van het recht op toegang tot de overheidsrechter ondubbelzinnig moet geschieden. In het oordeel van het hof ligt besloten dat KCMD als partij bij het sociaal plan de uit de uitleg van het hof voortvloeiende beperking van haar bevoegdheid ondubbelzinnig heeft aanvaard.

Achtergrond

Stichting Kempisch Centrum voor Muziek & Dans (eiseres in cassatie, hierna: KCMD) heeft per augustus 2008 haar activiteiten gestaakt en is in dat verband een sociaal plan overeengekomen met de vakbonden. In dit sociaal plan zijn de gevolgen geregeld van de beëindiging van de onderneming van KCMD voor haar werknemers, onder wie verweerder in cassatie (hierna: X).

Op grond van art. 6.2 van het sociaal plan wordt een categorie oudere werknemers (waartoe X behoort) op non-actief gesteld met behoud van salaris en pensioenopbouw, zodat zij op de “spilleeftijd” (62 jaar en 3 maanden) gebruik kunnen maken van de FPU-regeling (Flexibel Pensioen en Uittreden). Partijen verschillen van mening over de uitleg van de passage: “Tijdens FPU wordt salaris aangevuld en pensioen ingekocht, waardoor de werknemer geen nadeel ondervindt van gebruik van FPU”. Vraag is of KCMD op grond van deze passage enkel gehouden was om het salaris aan te vullen boven de FPU-norm en ook tijdens de FPU-jaren te zorgen voor pensioenopbouw, of daarnaast ook compensatie moest bieden voor het mislopen van het “Vendrik-effect”. Dit effect houdt in, kort gezegd, dat werknemers met een aanspraak op ABP-pensioen, aanspraak maken op een hoger ouderdomspensioen, al naar gelang zij later (maar voor hun 65ste) met FPU gaan: niet opgenomen FPU-tijd wordt in dat geval omgezet in een verhoging van het ouderdomspensioen (hierna: “de omzetmogelijkheid”).

X stelt zich op het standpunt nadeel te ondervinden van het (vervroegde) gebruik van FPU, namelijk wegens het mislopen van de omzetmogelijkheid. Volgens X heeft hij op grond van de geciteerde passage uit het sociaal plan recht op compensatie van dit nadeel. KCMD stelt zich op het standpunt dat het sociaal plan niet verplicht tot een dergelijke (vérstrekkende) compensatie.

Oordeel bezwarencommissie en inzet geding

Ingevolge het sociaal plan is een bezwarencommissie ingesteld. Art. 8.7 van het sociaal plan bepaalt dat “de werkgever verplicht [is] indien het bezwaar gegrond is verklaard, met inachtneming van die uitspraak, een nieuw besluit te nemen, tenzij tot genoegen van de bezwarencommissie kan worden aangetoond dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is”.

X heeft bij de bezwarencommissie bezwaar aangetekend tegen de door KCMD verdedigde uitleg van het sociaal plan. De bezwarencommissie heeft het bezwaar gegrond verklaard en KCMD ingevolge art. 8.7 van het sociaal plan opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. In het nieuwe besluit concludeert KCMD wederom dat het uitgangspunt dat de werknemer geen nadeel mag ondervinden van de gebruikmaking van de FPU, niet de verplichting omvat het Vendrik-effect te compenseren.

In een naar aanleiding van dit nieuwe besluit van KCMD gestarte procedure bij de kantonrechter, heeft X gevorderd dat KCMD voor hem een stamrechtuitkering diende aan te schaffen, waarmee het mislopen van het Vendrik-effect zou worden opgeheven.

In de procedure zijn twee vragen aan de orde. Ten eerste de vraag of de uitspraak van de bezwarencommissie KCMD bij het nemen van een nieuw besluit bindt en ten tweede de vraag of (met toepassing van de CAO-norm) KCMD het nadeel, bestaande uit het mislopen van de “omzetmogelijkheid”, dient te compenseren. Waar de kantonrechter beide vragen ontkennend heeft beantwoord, heeft het hof deze bevestigend beantwoord en KCMD veroordeeld om ten behoeve van verweerder X een stamrechtuitkering aan te schaffen. KCMD heeft tegen dit oordeel cassatieberoep ingesteld.

Cassatie

De eerste klacht behelsde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat KCMD op grond van art. 6.2 van het sociaal plan bij het nemen van een nieuw besluit gebonden was aan de uitspraak van de bezwarencommissie. In dit verband beriep KCMD zich op rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad, waaruit volgt dat afstand van het recht op toegang tot de overheidsrechter, zoals beschermd door art. 6 EVRM en 17 Gw, “ondubbelzinnig” moet geschieden (zie bijvoorbeeld HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2085, NJ 1996/693; en EHRM 27 februari 1980, NJ 1980/561).

De Hoge Raad verwerpt deze klacht in rov. 3.3.2 door ’s hofs oordeel aldus te lezen (en ook begrijpelijk te oordelen; zie r.o. 3.3.3) dat KCMD als partij bij het sociaal plan de daaruit voortvloeiende beperking van haar bevoegdheid ondubbelzinnig heeft aanvaard:

“3.3.2 (…) Bij de beoordeling van deze klacht dient tot uitgangspunt dat KCMD bij de door het hof aan art. 8.7 gegeven uitleg slechts in zoverre wordt beperkt in haar bevoegdheid het geschil aan de rechter voor te leggen, dat de verplichting om een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met het oordeel van de bezwarencommissie eerst geldt indien het geschil niet door een werknemer of de werkgever bij de rechter aanhangig is gemaakt, hetgeen zelfs nog mogelijk is tijdens de behandeling van het bezwaar door de bezwarencommissie (art. 8.8 en 8.9 van het sociaal plan).

In het oordeel van het hof ligt besloten dat KCMD, die als contractspartij betrokken was bij het overeenkomen van het sociaal plan, de uit de uitleg van het hof voortvloeiende beperking van haar bevoegdheid ondubbelzinnig heeft aanvaard. Het onderdeel mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.”

Een tweede klacht van KMCD – gericht tegen de uitleg die het hof (ten overvloede) had gegeven aan de compensatieregeling uit het sociaal plan, waarbij het hof (volgens KCMD in strijd met de toepasselijke CAO-norm) mede acht had geslagen op verklaringen van vertegenwoordigers van partijen bij het sociaal plan – laat de Hoge Raad onbehandeld, omdat de klachten gericht tegen de gebondenheid van KCMD aan het oordeel van de bezwarencommissie falen, en deze grond het oordeel van het hof zelfstandig kan dragen.

KCMD werd in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben en Kasper Jansen, en in feitelijke instanties door Sandra van Heukelom-Verhage en Ruben van Arkel.

Share This