Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Geen ontslag op staande voet: werknemer kon door hersenaandoening geen verklaring geven voor het verdwijnen van geldbedragen

CB 2019-16 Geplaatst op 25 januari 2019 door

HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:55

Voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet geldt niet de eis dat het bestaan van de dringende reden al ten tijde van het ontslag onomstotelijk vaststaat. Het bewijs dat de dringende reden aanwezig was, kan alsnog worden geleverd in de procedure waarin de werknemer de dringende reden betwist. De mogelijkheid om achteraf het bestaan van een dringende reden te bewijzen mag echter niet meebrengen dat een werkgever zijn werknemer nodeloos blootstelt aan onzekerheid over het al dan niet bestaan van de dringende reden.

Achtergrond

Het gaat in deze zaak om een ontslag op staande voet, dat is gebaseerd op de omstandigheid dat de werknemer geen verklaring heeft kunnen en willen geven voor het verdwijnen van contant geld. De werknemer was werkzaam voor een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, genaamd Mondriaan. Op 10 januari 2017 is de werknemer door zijn werkgever geconfronteerd met het feit er aan Mondriaan toebehorende gelden zijn verdwenen. In de avond van 10 januari 2017 is de werknemer opgenomen in het ziekenhuis en heeft zij zich ziek gemeld.

Mondriaan heeft de werknemer vervolgens per brief verzocht om een informatie aan te leveren. De gemachtigde van de werknemer heeft aangegeven dat de werknemer daartoe vanwege een hersenaandoening niet in staat was. Mondriaan heeft daarna een onderzoek naar het verdwenen geld ingesteld. Daarin is een groot aantal signalen aangetroffen die het vermoeden rechtvaardigen dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van geld. De gemachtigde van de werknemer blijft zich echter op het standpunt stellen dat de werknemer zich door een hersenaandoening niets meer kan herinneren en daarom geen verklaring kan afleggen. Vervolgens heeft Mondriaan de werknemer op staande voet ontslagen. Het ontslag is (met name) gebaseerd op de omstandigheid dat de werknemer geen informatie wil verschaffen over het verduisteren van het geld.

Procedureverloop

De werknemer is tegen het ontslag opgekomen en heeft bij de kantonrechter – kort gezegd – om herstel van de arbeidsovereenkomst verzocht. Mondriaan heeft op haar beurt verzocht de werknemer te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding als bedoeld in art. 7:677 lid 2 en lid 3 BW en tot vergoeding van de door haar geleden schade. De kantonrechter heeft het verzoek van de werknemer afgewezen en de verzoeken van Mondriaan toegewezen.

Het hof dacht daar echter anders over en is tot de slotsom gekomen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Naar het oordeel van het hof heeft Mondriaan, zonder onderzoek te doen naar de vraag of de werknemer met haar hersenaandoening nog wel in staat was om een verklaring af te leggen, niet kunnen oordelen dat de werknemer verwijtbaar informatie heeft achtergehouden. Mondriaan heeft op geen enkele manier laten vaststellen of door de hersenaandoening het geheugen van de werknemer zodanig was verstoord dat zij in redelijkheid geen verklaring kon geven. Het feit dat er geld is zoekgeraakt en dat de werknemer één van de personen is geweest die het geld onder zich heeft gehad, leidt op zichzelf niet tot het aannemen van een dwingende reden voor een ontslag op staande voet, aldus het hof.

Hoewel het hof dus tot de conclusie kwam dat het ontslag niet rechtsgeldig is, kon volgens het hof van Mondriaan niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortbestaan. Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst is daarom door het hof afgewezen, maar het hof heeft Mondriaan wel veroordeeld tot betaling van ruim € 22.000 aan de werknemer, omdat de opzegging onregelmatig was (er had een opzegtermijn in acht moeten worden genomen, nu er geen dringende reden aanwezig was).

 Cassatie

In cassatie komt Mondriaan komt op tegen het oordeel van het hof dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Volgens Mondriaan is een ontslag op staande voet ook rechtsgeldig als de werkgever in een procedure alsnog weet te bewijzen dat de dringende reden bestond op het moment van het ontslag op staande voet. De Hoge Raad stelt bij de behandeling van deze klacht (onder verwijzing naar HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, rov. 3.4.3 (CB 2014-178) en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:290, rov. 3.5.2 (CB 2016-37) en HR 31 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:AG0712, rov. 3.6) voorop dat voor de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet inderdaad niet de eis geldt dat het bestaan van de dringende reden al ten tijde van het ontslag onomstotelijk vaststaat. Het bewijs dat de dringende reden aanwezig was, kan alsnog worden geleverd in de procedure waarin de werknemer de dringende reden betwist.

Het hof heeft dit echter niet miskend. Het hof heeft terecht rekening gehouden met hetgeen van Mondriaan als zorgvuldig werkgever mocht worden verwacht. Mondriaan heeft nagelaten de mogelijkheid van een nader medisch onderzoek naar de belemmeringen van de werknemer te benutten. Daarbij is van belang dat de mogelijkheid om achteraf het bestaan van een dringende reden te bewijzen niet mag meebrengen dat een werknemer zijn werkgever nodeloos blootstelt aan de onzekerheid over het al dan niet bestaan van de dringende reden voor ontslag op staande voet. Tegen die achtergrond geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Tevens klaagde Mondriaan in cassatie dat het hof ten onrechte de beschikking van de kantonrechter heeft vernietigd. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van deze klacht dat Mondriaan terecht betoogt dat als de rechter in hoger beroep oordeelt dat het verzoek van een werknemer om vernietiging van de opzegging ten onrechte is afgewezen, hij niet de opzegging zelf kan vernietigen, maar uitsluitend de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen ( art. 7:683 lid 3 BW). Toch kan ook deze klacht niet tot cassatie leiden, omdat het hof niet de opzegging zelf heeft vernietigd. Het hof heeft (onder meer) overwogen dat uit artikel 7:683 lid 3 BW volgt dat de omstandigheid dat het verzoek om de opzegging te vernietigen ten onrechte is afgewezen, er niet toe leidt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege herleeft. Daaruit blijkt dat hof heeft onderkend dat de arbeidsovereenkomst door de opzegging is beëindigd.

De Hoge Raad verwerpt dan ook het cassatieberoep van Mondriaan.

email print