Selecteer een pagina

HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1084 (X / Verenigde Staten)

Art. 11 lid 2, aanhef en onder a (“de werknemer is aangesteld voor het vervullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid”) van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen kan worden aangemerkt als regel van internationaal gewoonterecht. De Nederlandse rechter is daaraan dus gebonden. Omdat de ontslagen werkneemster uit hoofde van haar functie werkzaamheden verrichtte die in functioneel verband stonden met kerntaken van het consulaat en zij “has been recruited to perform particular functions in the exercise of governmental authority”, komt de VS immuniteit van jurisdictie toe.

De Verenigde Staten hadden een medewerkster van hun consulaat in Nederland ontslagen. De medewerkster vocht haar ontslag aan. De VS stelden zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter dit ontslag niet mag toetsen, omdat de VS in dit geval immuniteit van rechtsmacht (jurisdictie) toekomt.

Volgens het uit 1917 stammende wetsartikel art. 13a Wet Algemene Bepalingen wordt “de regtsmagt van den regter […] beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend.” Volkenrecht is een ander woord voor internationaal publiekrecht. Of een land immuniteit toekomt, wordt bepaald door verdragen (geschreven internationaal publiekrecht) of internationaal gewoonterecht (ongeschreven internationaal publiekrecht).

Een relevant verdrag in dit verband is het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen (hierna: VN-verdrag). Het VN-Verdrag is door Nederland niet geratificeerd en nog niet in werking getreden. Het VN-Verdrag bevat echter onder meer een codificatie van het internationale gewoonterecht over de immuniteit van jurisdictie. De bepalingen die zo’n codificatie inhouden, betreffen dus een regel die al geldt, ook al is het VN-Verdrag nog niet in werking. Maar niet alle bepalingen van het VN-Verdrag kunnen als internationaal gewoonterecht worden aangemerkt. Welke bepalingen wel en niet als internationaal gewoonterecht kunnen worden aangemerkt, is niet altijd even duidelijk.

In deze zaak ging het om art. 11 VN-Verdrag. Dat bepaalt:

1. Tenzij anders overeengekomen tussen de betrokken staten, kan een staat geen beroep doen op immuniteit van rechtsmacht ten overstaan van een rechter van een andere staat die voor het overige bevoegd is ter zake van een geding dat betrekking heeft op een arbeidsovereenkomst tussen de staat en een natuurlijke persoon voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk zijn verricht of dienen te worden verricht op het grondgebied van die andere staat.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:
a.de werknemer is aangesteld voor het vervullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid;
[…]
d. het voorwerp van het geding het ontslag of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een natuurlijke persoon betreft en, vast te stellen door het staatshoofd, de regeringsleider of minister van Buitenlandse Zaken van de staat die als werkgever optreedt, een dergelijke procedure de veiligheidsbelangen van die staat zou schaden; […].

De VS had zich op beide uitzonderingen (sub a en sub d) beroepen. Het hof oordeelde dat in elk geval de VS een beroep konden doen op immuniteit wegens ‘veiligheidsbelangen’. Met dit oordeel sloot het hof aan bij een bekend arrest uit 1989, waarin de Hoge Raad oordeelde, kort gezegd, dat een vreemde staat de bevoegdheid moet worden gelaten om het aangaan of voortbestaan van een arbeidsrelatie afhankelijk te maken van een veiligheidsonderzoek en dat het resultaat van dat onderzoek niet aan de beoordeling van de wederpartij of de rechter van het gastland mag worden onderworpen.

De werkneemster betoogde nu in cassatie dat tegenwoordig in het internationaal gewoonterecht de regel geldt zoals verwoord in art. 11 lid 2 aanhef en sub d VN-Verdrag. Omdat in deze zaak de veiligheidsbelangen niet zouden zijn vastgesteld door “het staatshoofd, de regeringsleider of minister van Buitenlandse Zaken”, zou het beroep op immuniteit niet opgaan.

A-G Vlas concludeerde dat art. 11 lid 2 aanhef en sub d VN-Verdrag geen internationaal gewoonterecht weergeeft. De Hoge Raad verwerpt vervolgens – ook overeenkomstig de conclusie – het cassatieberoep zonder in te gaan op de vraag hoe in het internationaal gewoonterecht de regel over ontslag wegens ‘veiligheidsbelangen’ precies luidt. Zoals de VS hadden aangevoerd, was namelijk sowieso de regel van art. 11 lid 2 sub a van toepassing: de  werkneemster, die werkte als supervisor op de afdeling die visa verstrekte, verrichte werkzaamheden die in functioneel verband staan met kerntaken van het consulaat en was aangesteld voor het vervullen van bepaalde functies in de uitoefening van bevoegdheden van de overheid. En voor die immuniteitsgrond geldt volgens de Hoge Raad (waarbij hij wijst op een advies van de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken van 19 mei 2006):

“Art. 11 lid 2, aanhef en onder a, VN-Verdrag kan worden aangemerkt als regel van internationaal gewoonterecht. De Nederlandse rechter is daaraan dus gebonden.”

De Verenigde Staten zijn in cassatie bijgestaan door de auteur en Floor Veldhuis.

Share This