Selecteer een pagina

HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1687 (ABVAKABO FNV/Amsta)

Naleving van de ‘spelregels’ is niet langer een zelfstandige voorwaarde voor de rechtmatigheid van een collectieve actie. Wel zijn de spelregels nog steeds van belang als gezichtspunten bij de vraag of de uitoefening van het recht op collectief optreden (art. 6 onder 4 ESH) in een concreet geval dient te worden beperkt of verboden langs de weg van art. G ESH. Andere gezichtspunten zijn de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden, en de aard van die belangen en die schade.

De feiten

Verweerster in cassatie Amsta exploiteert in Amsterdam een aantal zorginstellingen, waarin zorgvoorzieningen worden aangeboden aan ouderen, mensen met een verstandelijke beperking en andere zorgbehoevenden. Bij Amsta zijn omgeveer 2800 personen werkzaam.

Werknemers in de zorg vallen onder de CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). In 2012 is een nieuwe CAO-VVT tot stand gekomen, waarbij eiseres tot cassatie FNV geen partij was.

FNV heeft vervolgens met Amsta overleg gevoerd over de arbeidsvoorwaarden van de bij Amsta werkzame personen. Dit overleg heeft echter niet tot (het door FNV gewenste) resultaat geleid. Daarop heeft FNV drie keer een collectieve actie in de vorm van een werkonderbreking van telkens twee uur georganiseerd op locaties van Amsta. Daarnaast is op één locatie een actie gevoerd waarbij bestuurders en (niet bij de actie betrokken) leidinggevenden niet werden toegelaten.

In dit kort geding vordert Amsta (kort gezegd) dat het FNV wordt verboden om verdere ‘bedrijfsbezettingen’ te organiseren. Zowel de voorzieningenrechter als het hof hebben – in verschillende gradaties – de vordering van Amsta toegewezen. Het hof overwoog daarbij dat de onderhavige actie van FNV niet valt onder de bescherming van art. 6 onder 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Volgens het hof zou voor dat laatste zijn vereist dat de actie van tevoren is aangekondigd en als ‘ultimum remedium’ is ingezet; van beide is echter geen sprake geweest. Daarom is de actie volgens het hof onrechtmatig jegens Amsta.

Art. 6 onder 4 ESH en de ‘spelregels’

FNV kiest in cassatie voor een principiële aanpak, waarbij met name de aanval wordt ingezet op de zogeheten ‘spelregeltoets’. In de (Nederlandse) rechtspraak is aanvaard dat wanneer een collectieve actie onder het bereik van art. 6 onder 4 ESH valt – waarmee de rechtmatigheid van die actie in beginsel is gegeven – onrechtmatig is wanneer zwaarwegende procedureregels (de ‘spelregels’) niet in acht zijn genomen. Onderdeel daarvan is dat een collectieve actie van tevoren moet worden aangekondigd en dat een dergelijke actie alleen als ultimum remedium kan worden gebruikt.

Zoals in de conclusie van A-G Spier uitvoerig aan de orde komt, is door het Europees Comité voor Sociale Rechten (en in navolging daarvan ook in de Nederlandse literatuur) kritiek uitgeoefend op de spelregeltoets, met name op de eis dat een collectieve actie als ultimum remedium moet worden ingezet.

Op 31 oktober 2014 wees de Hoge Raad een arrest (ECLI:NL:HR:2014:3077, CB 2014-177) over een zogeheten ‘besmetverklaring’ van werk door actievoerende vakbonden. In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer dat de vraag of (nog) sprake is van een collectieve actie in de zin van art. onder 4 ESH vooral erdoor wordt bepaald “of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen”, en dat als dit het geval is “de uitoefening van het recht op collectief optreden slechts [kan] worden beperkt langs de weg van art. G ESH, overeenkomstig hetgeen op dat punt is aanvaard in de rechtspraak van de Hoge Raad”.

Art. G ESH luidt:

“1.Wanneer de in deel I genoemde rechten en beginselen en de in deel II geregelde doeltreffende uitoefening en toepassing hiervan zijn verwezenlijkt, kunnen zij buiten de in deel I en deel II vermelde gevallen generlei beperkingen ondergaan, met uitzondering van die welke bij de wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.

2. De krachtens dit Handvest geoorloofde beperkingen op de daarin vermelde rechten en verplichtingen kunnen uitsluitend worden toegepast voor het doel waarvoor zij zijn bestemd.”

Uit het arrest van 31 oktober 2014 is wel afgeleid dat de Hoge Raad hiermee in feite heeft beslist dat de spelregeltoets geplaatst moet worden in de sleutel van de beperkingsmogelijkheid die in art. G ESH is voorzien, en daarmee dus niet als ‘drempel’ of beslissend vereiste voor de toelaatbaarheid van een collectieve actie zou fungeren. De cassatieklachten van FNV tegen het arrest van het hof sluiten hierbij aan.

Hoge Raad: ‘spelregels’ geen zelfstandige voorwaarde, maar wel van belang

Na eerst de kernoverwegingen uit zijn arrest van 31 oktober 2014 te hebben geciteerd, bevestigt de Hoge Raad dat in dit arrest (inderdaad) “besloten ligt” dat de ‘spelregels’ niet langer een zelfstandige maatstaf zijn om te beoordelen of een collectieve actie rechtmatig is. De naleving daarvan is dus niet langer een zelfstandige voorwaarde voor die rechtmatigheid, aldus de Hoge Raad.

Dat neemt echter niet weg dat de spelregels wel degelijk nog steeds betekenis hebben bij de beoordeling of een collectieve actie in een concreet geval moet worden beperkt of verboden langs de weg van art. G ESH:

“Zij zijn weliswaar niet langer als zodanig voorwaarden voor toelaatbaarheid van de actie, maar nog wél gezichtspunten bij de beoordeling of de actie moet worden beperkt of verboden. Het belang van de spelregels als gezichtspunten is echter niet steeds hetzelfde. In het geval van bijvoorbeeld een algehele werkstaking hebben zij groot gewicht, maar dit is in mindere mate het geval wanneer sprake is van een ‘prikactie’ van beperkte duur waardoor geen grote schade wordt aangericht.”

Hieruit volgt (dus) ook dat voor de toelaatbaarheid van een collectieve actie niet langer als voorwaarde of zelfstandig vereiste geldt, dat de actie als ‘ultimum remedium’ wordt ingezet.

Beoordeling rechtmatigheid in het concrete geval

Welke omstandigheden zijn nu van belang wanneer in een concreet geval moet worden beoordeeld of een collectieve actie toelaatbaar is? Volgens de Hoge Raad zijn dit “onder meer” de aard en duur van de actie, de verhouding tussen de actie en het daarmee nagestreefde doel, de daardoor veroorzaakte schade aan de belangen van de werkgever of derden, en de aard van die belangen en die schade. Hierbij kan dus nog steeds – en onder omstandigheden zelfs beslissende – betekenis toekomen aan het antwoord op de vraag of de ‘spelregels’ zijn nageleefd.

De Hoge Raad wijst er hierbij tot slot op dat wanneer een collectieve actie personen treft met een bijzondere kwetsbaarheid (zoals jeugdigen, gehandicapten, bejaarden, en anderen die in bijzondere mate zorg behoeven), in die zin dat zij afbreuk doet aan de mogelijkheid van hun verzorging waardoor die personen worden blootgesteld aan het gevaar dat hun geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt geschaad, de actie op grond van art. G ESH al snel als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

Tot slot

Het arrest van de Hoge Raad maakt duidelijk dat de spelregeltoets niet langer als ‘drempel’ of zelfstandige voorwaarde voor de rechtmatigheid van een collectieve actie kan gelden. Of de spelregels zijn nageleefd blijft wel nog steeds van belang, maar dan als gezichtspunt in de beoordeling – aan de hand van alle omstandigheden van het geval – of de actie in een concreet geval moet worden beperkt of verboden langs de weg van art. G ESH. Hoe die weging voor de ‘bedrijfsbezetting’ bij Amsta moet uitvallen blijkt uit het arrest van de Hoge Raad nog niet; dat zal moeten worden uitgemaakt in de verwijzingsprocedure (als het daarvan komt).

Share This