Selecteer een pagina

HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3239 (Eiseres/Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg)

De prepensioenregeling voor het beroepsgoederenvervoer dient mogelijk aldus te worden uitgelegd dat deze per 1 januari 2002 tot premieplichtigheid voor aangesloten werkgevers leidt. Na verwijzing dient te worden onderzocht of de te betalen premie alleen is bestemd voor uitkeringen aan werknemers van de aangesloten partijen, dan wel voor uitkeringen aan alle werknemers in de bedrijfstak. Een uitleg in laatstbedoelde zin zou voor aangesloten werkgevers kunnen leiden tot een onaanvaardbaar zware last.

Het gaat in cassatie om de uitleg van het “Protocol Onderhandelingsakkoord” (hierna: het protocol), een overeenkomst tussen werkgevers- en werknemersorganisaties in het beroepsgoederenvervoer, waarin afspraken zijn gemaakt over de invoering per 1 januari 2002 van een prepensioenregeling ter vervanging van de (per die datum afgeschafte) VUT-regeling. Volgens het protocol zou deze prepensioenregeling worden gefinancierd door middel van een “bedrijfstakheffing”. Een bedrijfstakbrede verplichtstelling van deelname aan de prepensioenregeling is echter pas met ingang van 20 februari 2003, overeenkomstig art. 2 lid 1 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000), tot stand gekomen.

Partijen (eiseres als aangesloten werkgeefster[1] en verweerster als uitvoerend pensioenfonds) verschillen van mening over de vraag of ingevolge het protocol over de periode tussen 1 januari 2002 (de datum van de invoering van de overeengekomen prepensioenregeling) en 20 februari 2003 (de datum van de bedrijfstakbrede verplichtingstelling van deelname daaraan) een verplichting bestond tot premiebetaling voor bij het protocol aangesloten werkgevers.

In een arrest uit 2013 (HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6165, CB 2013-48), dat eveneens betrekking had op de uitleg van het onderhavige protocol, oordeelde de Hoge Raad dat het enkele gebruik van het woord “bedrijfstakheffing” in het protocol niet uitsluit dat die heffing voortvloeit uit het protocol zelf (in plaats van uit een bedrijfstakbrede verplichtstelling). Tegen die achtergrond achtte de Hoge Raad zonder nadere motivering onbegrijpelijk (want onaannemelijk als rechtsgevolg) dat over de periode tussen 1 januari 2002 en 20 februari 2003 wél een prepensioenregeling zou bestaan, maar (nog) geen verplichting tot premiebetaling.

In de onderhavige zaak had het hof (voorafgaand aan het wijzen van voornoemd arrest) geoordeeld dat eiseres als aangesloten werkgeefster op grond van het protocol reeds vanaf 1 januari 2002 premieplichtig was. De daartoe gebezigde redenering was echter afwijkend van hetgeen partijen over en weer hadden betoogd (reden waarom zowel principaal als incidenteel cassatieberoep is ingesteld). Volgens het hof bood het protocol geen grondslag om alle aangesloten werkgevers te verplichten vanaf 1 januari 2002 premie te betalen. Aldus constateerde het hof een leemte, die het hof met behulp van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) aldus heeft ingevuld dat het risico van latere verplichtstelling van deelname aan de prepensioenregeling niet bij het bedrijfstakpensioenfonds (als derde), maar bij de contractspartijen (de aangesloten werkgevers) diende te rusten. Tegen die achtergrond oordeelde het hof dat op grond van het (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aangevulde) protocol alle aangesloten werkgevers per 1 januari 2002 premieplichtig waren.

Dit oordeel vindt geen genade in de ogen van de Hoge Raad. Onder verwijzing naar zijn eerdere arrest uit 2013 oordeelt hij dat het hof (door een leemte aan te nemen) een onjuiste, want te beperkte betekenis heeft toegekend aan het woord “bedrijfstakheffing”. De mogelijkheid bestaat immers dat het protocol aldus dient te worden uitgelegd dat de daarin bedoelde prepensioenregeling per 1 januari 2002 in elk geval tussen contractspartijen tot premieplichtigheid leidt (rov. 3.3.5). Voorts acht de Hoge Raad onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat het “zeer onwaarschijnlijk voorkomt” dat partijen zouden hebben beoogd de aangesloten werkgevers te belasten met een loonkostenstijging “zonder dat die loonkostenstijging daadwerkelijk ten goede zou komen aan het eigen personeel”. De overeengekomen premiebetalingen komen immers, zo overweegt de Hoge Raad, in elk geval mede ten goede aan het eigen personeel van aangesloten werkgevers (rov. 3.3.6). Het hof is dus op onjuiste dan wel onbegrijpelijke gronden tot het oordeel gekomen dat het protocol een leemte bevat (rov. 3.3.7).

Wat het hof waarschijnlijk bedoelde, was dat het niet zonder meer waarschijnlijk voorkomt dat partijen zouden hebben beoogd een premieplicht voor aangesloten werkgevers overeen te komen die mede ten goede komt aan personeel van niet-aangesloten werkgevers. Kennelijk voelt de Hoge Raad hierin mee, want hij overweegt aansluitend:

“3.4 (…) Voor het antwoord op de vraag hoe het Protocol op dit punt moet worden uitgelegd is van belang of, bij de door Prepensioenfonds bepleite uitleg, de door werkgevers als [eiseres] in de periode van 1 januari 2002 tot 20 februari 2003 te betalen premie alleen is bestemd voor uitkeringen aan de werknemers van de aangesloten partijen, dan wel – zoals het hof heeft overwogen – voor uitkeringen aan alle werknemers in de bedrijfstak. Een uitleg in laatstbedoelde zin zou voor de contracterende werkgevers, en dus ook voor [eiseres], die bij de contractsluiting werd vertegenwoordigd door TLN, kunnen leiden tot een onaanvaardbare last. In cassatie kan niet ervan worden uitgegaan dat zij die hebben onderkend en aanvaard.”

Na verwijzing moet worden onderzocht of het protocol een grondslag biedt voor het aannemen van premieplichtigheid van eiseres. Daartoe zal met name moeten worden vastgesteld voor welke werknemers de gevorderde premie is bestemd, aldus de Hoge Raad (rov. 3.5). Een denkbare uitkomst is dus, zo lijkt de strekking van het arrest, dat géén premieplicht is overeengekomen die mede strekt ten gunste van werknemers van niet-aangesloten werkgevers.

A-G Keus koos in zijn conclusie voor een meer marginale toetsing en concludeerde op die grond tot verwerping van het principale en incidentele cassatieberoep. Hij achtte het niet onbegrijpelijk dat het hof in het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de te betalen premie en de mate waarin het eigen personeel van aangesloten werkgevers daarvan zal profiteren, onvoldoende grond heeft gezien om te oordelen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in de relatie tussen de protocolsluitende partijen zich ertegen zouden verzetten dat de prepensioenregeling slechts door die partijen en haar leden zal worden uitgevoerd (conclusie, sub 2.20).

[1] Eiseres was uit hoofde van haar lidmaatschap van werkgeversorganisatie Transport en Logistiek Nederland (TLN), één van de partijen bij het protocol, ex art. 2:46 BW aan het protocol gebonden.

Share This