Selecteer een pagina

HR 24 februari 2012, LJN ECLI:NL:HR:2019:BU9889 (ROM en PME/Vector)

Een redelijke uitleg van de werkingssfeerbepaling van de Metalelektro-CAO’s brengt mee dat bij toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium alle in de onderneming gewerkte arbeidsuren dienen te worden betrokken die redelijkerwijze vallen toe te rekenen aan de uitoefening van het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen. Daartoe horen ook de arbeidsuren van werknemers die zelf niet met fysiek met metaal werken, maar wier werkzaamheden wel dienstbaar zijn aan die fysieke metaalhandelingen.

In deze procedure vordert Vector (inmiddels: SEW-Eurodrive) een verklaring voor recht dat de Metalelektro-CAO’s niet op haar onderneming van toepassing zijn. De drie Metalelektro-CAO’s (de CAO in de Metalelektro; voor het hoger personeel in de Metalelektro en de CAO Arbeidsmarkt en Opleiding in de Metalektro) kennen nagenoeg gelijkluidende bepalingen die de werkingssfeer daarvan regelen. De centrale vraag is of Vector voldoet aan het hoofzakelijkheidscriterium in lid 2 onder a van de CAO’s:

“2. Tot de ‘Metalektro’ behoren (…) ondernemingen waarin, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren, in de regel gedurende ten minste 1.200 uren per week door bij die onderneming in dienst zijnde werknemers als bedoeld in artikel 1 lid 1 van deze overeenkomst, doch met inachtneming van het gestelde onder 5 t/m 14 en 18, werkzaamheden worden verricht en waarin:

a. uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend, waaronder onder meer wordt verstaan:

(…)”

Partijen zijn het er wel over eens dat met ‘in hoofdzaak’ naar de taalkundige betekenis wordt bedoeld: “wat het belangrijkste deel betreft”. Er is dus sprake van een tot de Metalektro behorende onderneming indien daarin voor meer dan vijftig procent het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend. Partijen verschillen ook niet van mening dat wat een onderneming (als Vector) “in hoofdzaak” doet moet worden bezien aan de hand van het aantal door de betrokken medewerkers bestede arbeidsuren en niet aan de hand van de met de verschillende activiteiten behaalde omzet.

Er bestaat tussen partijen echter geen overeenstemming over het antwoord op de vraag of bij het aandeel van meer dan vijftig procent aan fysieke handelingen met metaal (zoals: assembleren, construeren, smeden, walsen) óók moeten worden meegeteld de arbeidsuren van werknemers die zelf geen fysieke handelingen met metaal verrichten, maar van wie werkzaamheden wel dienstbaar zijn aan fysieke handelingen. Gedacht kan worden aan de arbeidsuren van ondersteunend personeel zoals de telefoniste, de koffiejuffrouw, de in- en verkopers in het magazijn en – naar rato – de arbeidsuren van de overhead, zoals de leidinggevende, de personeelswerker en de directie.

Het hof heeft geoordeeld dat laatstgenoemde uren bij toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium niet mogen worden meegeteld. Deze interpretatie van de werkingssfeerbepaling van de Metalelektro-CAO’s betreft een rechtsoordeel. Het betreft namelijk algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een CAO (zie rov. 3.1 (ii). Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn dergelijke CAO-bepalingen recht zijn in de zin van art. 79 RO. Dit betekent dat de Hoge Raad de door het hof gegeven uitleg aan lid 2 onder a volledig mag toetsen (zie recent HR 5 maart 2010, LJN ECLI:NL:HR:2010:BK8096; HR 8 oktober 2010, LJN ECLI:NL:HR:2010:BM9621).

Bij die volledige toetsing stelt de Hoge Raad voorop dat de bepaling in lid 2 onder a moet worden uitgelegd aan de hand van de CAO-norm, nu het voor verweerster in cassatie niet kenbaar was welke bedoelingen de contracterende partijen hadden met dit lid:

“3.5.2 Voor de uitleg van de werkingssfeerbepalingen geldt als uitgangspunt dat de CAO-norm is aangewezen voor de uitleg van die bepalingen in de verhouding tussen enerzijds ROM en PME en anderzijds Vector, aangezien voor laatstgenoemde de bedoeling van de oorspronkelijk contracterende partijen niet kenbaar is, nu, naar het hof in rov. 3.4 onbestreden heeft vastgesteld, de brochure “Werkingssfeer in de metaal” niet kan dienen als een bij de CAO’s behorende schriftelijke toelichting, en Vector op de formulering van de bepalingen geen invloed heeft gehad. Een en ander brengt mee dat aan de werkingssfeerbepalingen een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO’s, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de CAO’s tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO’s zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO’s gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (vgl. HR 8 oktober 2010, LJN BM9621, NJ 2010/546).”

Een redelijke uitleg van dit lid brengt volgens de Hoge Raad mee dat bij toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium alle in de onderneming gewerkte arbeidsuren dienen te worden betrokken die redelijkerwijze vallen toe te rekenen aan de uitoefening van het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen:

“3.5.5 (…) Dit betreft dus naast de arbeidsuren die door werknemers zijn gemaakt bij het verrichten van de onder a gespecificeerde werkzaamheden, onder meer de arbeidsuren van andere werknemers in de onderneming die eerstgenoemden tot het verrichten van hun werkzaamheden in staat stellen, hun daarbij ondersteuning verlenen, anderszins faciliteren, of ervoor zorgen dat de producten van de bedrijfsuitoefening afzet vinden.”

De Hoge Raad acht in dat verband de tekst van de werkingssfeerbepaling, te weten de woorden ‘en waarin’ in lid 2 doorslaggevend. Deze woorden duiden erop dat voor de werkingssfeer van de CAO’s niet de eis wordt gesteld dat alle of meer dan 50% van de bij de onderneming in dienst zijnde werknemers zelf daadwerkelijk (“fysiek”) de onder a bedoelde werkzaamheden verrichten. Voldoende (en vereist) is dat uitsluitend of in hoofdzaak in de onderneming het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend. Daarom ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand om bij de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium tot uitgangspunt te nemen dat de bedrijfsuitoefening heeft te gelden als de werkzaamheid van de onderneming en niet uitsluitend van de van de werknemers van de onderneming die zelf “fysiek” de in lid 2 onder a gespecificeerde werkzaamheden verrichten. Alle door andere werknemers in de onderneming verrichte werkzaamheden die aan die bedrijfsuitoefening bijdragen zijn volgens de Hoge Raad relevant voor de toepassing van het hoofdzakelijkheidscriterium.

Share This