HR 13 juli 2012, LJN BW3367 (X c.s./KLM en VNV)

Het door KLM in de ondernemings-CAO gehanteerde verplichte pensioenontslag van verkeersvliegers op (in beginsel) 56-jarige leeftijd, is niet in strijd met het verbod op leeftijdsdiscriminatie.

Het kader en een schets van het partijdebat

De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid, beroep en beroepsonderwijs (hierna: WGBLA) verbiedt het maken van onderscheid op grond van leeftijd (art. 1) onder meer bij het aangaan en beëindigen van een arbeidsverhouding (art. 3 sub c), tenzij sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond als bedoeld in art. 7.

Volgens art. 5.4 van de KLM-CAO eindigt de arbeidsovereenkomst van KLM-vliegers op 56-jarige leeftijd. Dit verplichte leeftijdontslag is door enkele KLM-vliegers aangevochten. In feitelijke instanties hebben zij een verklaring voor recht gevorderd dat het in de CAO gemaakte leeftijdonderscheid niet objectief gerechtvaardigd is in de zin van art. 7 WGBLA, zodat de bepaling op grond van die wet nietig is. Tevens hebben zij een beroep gedaan op art. 7:667 lid 6 BW.

KLM en de Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers (hierna: de VNV) hebben bestreden dat van ontoelaatbare leeftijdsdiscriminatie sprake is. In eerste aanleg en in hoger beroep hebben zij betoogd dat de doelen die nagestreefd worden met het in de CAO opgenomen verplichte pensioenontslag (kostenbeheersing, doorstroming, een evenwichtige personeelsopbouw, het kunnen beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel en het kunnen bieden van loopbaanperspectief) legitiem zijn in de zin van art. 7 lid 1 onder c WGBLA en dat de in de CAO vervatte maatregel passend en noodzakelijk is. Bij pleidooi in hoger beroep heeft de VNV op de valreep nog toegevoegd (daartoe mogelijk geïnspireerd door de in de pleitnota in hoger beroep genoemde arresten van het Hof van Justitie) dat met art. 5.4 CAO een legitiem doel wordt nagestreefd omdat sprake zou zijn van schaarse werkgelegenheid onder vliegers en dat dit schaarse goed eerlijk verdeeld moet worden over de generaties.

Samengevat heeft het hof geoordeeld dat voor het in art. 5.4 van de KLM-CAO gemaakte onderscheid op grond van leeftijd een objectieve rechtvaardiging bestaat als bedoeld in art. 7 lid 1 onder c WGBLA. Daartoe heeft het overwogen dat de met art. 5.4 KLM-CAO te verwezenlijken doelen – te weten het bereiken van een regelmatige en voorspelbare doorstroming van verkeersvliegers tussen de rangen, kostenbeheersing en een evenwichtige personeelsopbouw (waaronder begrepen een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheidskansen binnen de beroepsgroep) – zijn aan te merken als legitieme doelen. Tevens is geoordeeld dat het invoeren en handhaven van een pensioenleeftijd van 56 jaar (met de mogelijkheid de pensioenleeftijd onder voorwaarden uit te stellen tot uiterlijk het bereiken van de leeftijd van 60 jaar (indien een KLM-vlieger vanaf 40-jarige leeftijd structureel minder werkt), een passend en noodzakelijk middel vormt ter verwezenlijking van genoemde doelen. Het beroep op art. 7:667 lid 6 BW is door het hof verworpen.

De KLM-vliegers hebben cassatieberoep ingesteld. Het oordeel van het hof is door de Hoge Raad in stand gelaten.

Een legitiem doel

‘s Hofs overwegingen over het bestaan van een legitiem doel (art. 7 lid 1 WGBLA) heeft de Hoge Raad als volgt samengevat:

“Het hof heeft geoordeeld dat de met art. 5.4 CAO nagestreefde doelstellingen, te weten het bereiken van een regelmatige en voorspelbare doorstroming van verkeersvliegers tussen de rangen, kostenbeheersing en een evenwichtige personeelsopbouw (waaronder begrepen een evenwichtige verdeling van de werkgelegenheidskansen binnen de beroepsgroep), zijn aan te merken als legitiem. Het heeft dat oordeel gegrond op de overweging dat zij voldoen aan werkelijke en zwaarwegende behoeften van KLM, te weten enerzijds het kunnen beschikken over voldoende en voldoende gekwalificeerde verkeersvliegers tegen aanvaardbare loonkosten en anderzijds het kunnen bieden van een loopbaanperspectief aan instromende verkeersvliegers (die daarbij een groot belang hebben vanwege de door hen gemaakte kosten voor de vliegopleiding) met de mogelijkheid van volledige pensioenopbouw. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat circa 90% van de vliegers is aangesloten bij VNV en dat het verplichte pensioenontslag een groot draagvlak heeft binnen de KLM-organisatie. Daarmee heeft het hof de door partijen met art. 5.4 CAO nagestreefde doelstellingen kennelijk beoordeeld als doelstellingen van sociaal beleid, met name op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt en de beroepsopleiding. Aldus oordelend heeft het hof die doelstellingen niet uitsluitend bezien in het licht van de genoemde behoeften van KLM, maar ook tegen de achtergrond van de bevordering van de werkgelegenheid voor instromende verkeersvliegers en de verdeling van de werkgelegenheid tussen de generaties (rov. 4.9), waarbij het hof de brede consensus die binnen de onderneming van KLM over deze doelstellingen bestaat mede in aanmerking heeft genomen.” 

Het hof mocht volgens de Hoge Raad dus oordelen dat met art. 5.4 KLM-CAO (mede) de bevordering van de werkgelegenheid voor instromende verkeersvliegers en de verdeling van de werkgelegenheid tussen de generaties wordt nagestreefd. Daarbij verdient opmerking dat de KLM-vliegers hebben betoogd dat deze stelling uitsluitend door de VNV (voor het eerst bij pleidooi in appel) is ingenomen en niet door de KLM zelf. De slotzin over “brede consensus (…) binnen de KLM” vormt klaarblijkelijk een respons op de door de KLM-vliegers ingenomen stelling dat de KLM zélf voorstander is van doorvliegen na de leeftijd van 56 jaar en dat het verzet daartegen van de VNV afkomstig is.

Vervolgens heeft de Hoge Raad overwogen dat een ‘legitiem doel’ geen doel van nationaal overheidsbeleid behoeft te zijn:

“Weliswaar heeft het HvJEU geoordeeld dat legitieme doelstellingen als bedoeld in art. 6 lid 1 Richtlijn het karakter van een algemeen belang moeten hebben ter onderscheiding van individuele beweegredenen van de werkgever (HvJEU, Age Concern, punt 46), maar daaruit volgt niet dat zij een doel van nationaal overheidsbeleid moeten zijn, noch dat overwegingen als de onderhavige niet zijn aan te merken als een algemeen belang als bedoeld in art. 6 lid 1 Richtlijn. Mede gelet op het oordeel van het hof dat genoemde doelstellingen niet uitsluitend aan de behoeften van KLM tegemoet komen maar tevens de hiervoor genoemde doelstellingen van sociaal beleid dienen, is het oordeel dat die doelstellingen legitiem zijn niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.”

De Hoge Raad heeft – en ook dat valt op – geen aanleiding gezien om over de uitleg van het begrip ‘legitiem doel’ prejudiciële vragen te stellen, hoewel in uitspraken van het Hof van Justitie (omtrent leeftijdsdiscriminatie) nog niet eerder aan de orde is geweest of en in hoeverre een onderneming (een particuliere werkgever) en een vakbond in een ondernemings-CAO een legitiem doel (in de zin van de Richtlijn) kunnen nastreven. Zie de arresten Rosenbladt en Palacios de la Villa (HvJ EU 12 oktober 2010, NJ 2011, 2, met noot M.R. Mok; HvJ EU 16 oktober 2007, NJ 2008, 38, met noot M.R. Mok) waaruit kan worden afgeleid dat de lidstaat en sociale partners die zijn aangesloten bij een algemeen verbindend verklaarde CAO een legitiem doel kunnen nastreven.

De motiveringsklacht die de KLM-vliegers hebben gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een legitiem doel, inhoudende dat in feite iedere onderneming een regelmatige doorstroming en evenwichtige personeelsopbouw nastreeft (en een dergelijk doel het verbod van leeftijdsdiscriminatie zou uithollen), kan volgens de Hoge Raad niet tot cassatie leiden. In dat verband wordt verwezen naar de betekenis die het hof heeft toegekend aan ‘de specifieke situatie op de arbeidsmarkt voor verkeersvliegers’, welk oordeel volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk is in het licht van de aan de lidstaten en sociale partners toekomende, ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van de door hen na te streven doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid en de ter verwezenlijking van deze doelstellingen aan te wenden maatregelen.

De Hoge Raad is dus kennelijk van oordeel dat de ruime beoordelingsvrijheid die blijkens rechtspraak van het Hof van Justitie op vorengenoemde punten is toegekend aan de lidstaat en aan de sociale partners die zijn aangesloten bij een algemeen verbindend verklaarde CAO (zie de eerder aangehaalde arresten van het Hof van Justitie Rosenbladt en Palacios de la Villa), ook toekomt (of: kan toekomen) aan de sociale partners die zijn aangesloten bij een ondernemings-CAO. Door echter te verwijzen naar ‘de specifieke situatie op de arbeidsmarkt voor verkeersvliegers’ lijkt de Hoge Raad de reikwijdte van zijn arrest toch ook weer te willen beperken. De uitspraak krijgt daardoor een enigszins casuïstisch karakter.

Vermeldenswaard in dit verband is dat de Noorse Hoge Raad recentelijk het door partijen bij een ondernemings-CAO voor helikopterpiloten aangevoerde ‘doorstromingsstreven’ niet als een legitiem doel heeft aangemerkt (zie de uitspraak van de Noorse Hoge Raad van 14 februari 2012, zaaknummer 2010/127). Deze uitspraak is opmerkelijk, omdat Noorwegen niet gebonden was aan Richtlijn 2000/78/EG, maar deze Richtlijn niettemin vrijwillig heeft aanvaard en heeft omgezet in wetgeving.

De passendheid en noodzakelijkheid van een maatregel

Het oordeel van het hof over de passendheid en de noodzakelijkheid van de in de KLM-CAO vervatte maatregel kan volgens de Hoge Raad de toets in cassatie doorstaan:

“5.8 De klachten komen erop neer dat het HvJEU ter beoordeling van de noodzakelijkheid van de maatregel een strikte proportionaliteitstoets voorschrijft, die door het hof niet is aangelegd, terwijl het hof ten onrechte de bewijslast bij [eiser] c.s. heeft gelegd en een overigens onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Zij kunnen niet tot cassatie leiden. Uit de rechtspraak van het HvJEU vloeit immers voort dat de nationale rechter over een ruime beoordelingsmarge beschikt ten aanzien van de criteria “passend” en “noodzakelijk”, waarbij de rechter “in redelijkheid” de gestelde, terzake dienende omstandigheden dient af te wegen. Daarbij is volgens deze rechtspraak aangetoond dat de betrokken maatregel passend en noodzakelijk is wanneer deze gelet op het nagestreefde doel, niet onredelijk lijkt en gebaseerd is op gegevens waarvan de nationale rechter de bewijswaarde moet beoordelen (HvJEU, Fuchs en Köhler, punt 83).

Wat de noodzakelijkheid betreft, dient de rechter te onderzoeken of de bestreden maatregel verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen en niet op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de werknemers die de bedongen pensioenleeftijd bereiken, waarbij de maatregel in zijn eigen regelingscontext dient te worden geplaatst en rekening moet worden gehouden zowel met het nadeel dat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het voordeel daarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat (HvJEU, Rosenbladt, punt 73). Tegen deze achtergrond getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is in het licht van het partijdebat ook voldoende gemotiveerd.”

De verhouding tussen art. 7:667 lid 1 en lid 6 BW

Ten slotte behelst het arrest nog een uitspraak over verhouding tussen lid en 1 en lid 6 van art. 7:667 BW. In lid 1 respectievelijk lid 6 staat:

“Een arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken bij overeenkomst, bij de wet of door het gebruik aangegeven.”

“Voor de beëindiging van een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst is voorafgaande opzegging nodig.”

Ook arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd kunnen volgens de Hoge Raad blijkens dit wetsartikel van rechtswege eindigen, indien over de pensioenleeftijd afspraken zijn gemaakt in een CAO:

“Het eerste lid van art. 7:667 is niet beperkt tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Het voorschrift van het zesde lid ziet op de wijze waarop een partij een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst kan beëindigen. Het verzet zich niet tegen een overeenkomst (of tegen een op een overeenkomst toepasselijke clausule) als bedoeld in het eerste lid, die meebrengt dat een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.”

De KLM-vliegers zijn in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand en de auteur.

Share This