HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2049 (Staat/Verweerder)

(1) Partijen mogen aan een tijdens mediation gemaakte afspraak in beginsel niet het vertrouwen ontlenen dat die afspraak hen na beëindiging van de mediation juridisch blijft binden, als niet is voldaan aan de daartoe in de mediationovereenkomst overeengekomen vormvereisten.
(2) Een partij die naleving wenst van een uit overeenkomst voortvloeiende verplichting voor de Inspecteur tot het nemen van een bepaald besluit (het opleggen van een belastingaanslag), dient zich – na eventueel bezwaar – tot de bestuursrechter te wenden. Dit geldt zowel indien het toegezegde besluit niet genomen wordt, als indien het genomen besluit niet beantwoordt aan de gestelde overeenkomst.

De feiten

Tussen verweerder en de inspecteur van de Belastingdienst is een geschil ontstaan over de waardering van een appartement en de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 1998 die in verband daarmee aan verweerder is opgelegd. In het kader van een beroepsprocedure tegen deze aanslag hebben partijen zich tot een mediator gewend. Met de mediator is een mediationovereenkomst gesloten. Daarin is bepaald dat op de mediation de regels van het Nederlands Mediation Instituut (NMI), waaronder het NMI-reglement, van toepassing zijn. Verder bevat de mediationovereenkomst de bepaling (art. 4.4) dat de mediation onverplicht is en dat partijen vrijuit mondeling en schriftelijk voorstellen kunnen doen en standpunten kunnen innemen, zonder dat zij daarmee verplichtingen aangaan. Over de totstandkoming van afspraken bevat de mediationovereenkomst de volgende bepaling (art. 4.5):

• Wanneer sprake is van tussentijdse afspraken worden partijen daardoor alleen gebonden indien deze afspraken schriftelijk worden vastgelegd, en daarbij staat vermeld dat partijen aan deze afspraak juridisch worden gebonden, ofwel pas tegelijk met de eindovereenkomst, ofwel ook al eerder. De mediator dient in dat geval “voor gezien” mee te tekenen.

• Wanneer de mediation eindigt met een overeenstemming wordt het resultaat schriftelijk vastgelegd. De mediator verstrekt partijen de nodige inlichtingen over het karakter van deze afspraken (bijvoorbeeld of sprake is van een vaststellingsovereenkomst).

In een gesprek met de mediator is gesproken over de mogelijkheid om alsnog na te gaan of de taxatie van het appartement van verweerder correct heeft plaatsgevonden. De mediator heeft dit gesprek bij brief samengevat, en daarin onder meer vermeld dat “het nagaan of de taxatie geheel correct is gedaan een nieuw licht op de zaak zal kunnen werpen”, dat “bij een verschil de belasting op basis van het nieuwe feit zal worden berekend”, en dat verweerder “heeft ingestemd met dit traject”.

Vervolgens hebben verweerder en de inspecteur een document getiteld “Vaststellingsovereenkomst waardering onroerende zaken” getekend. Op basis hiervan hebben twee taxateurs het appartement van verweerder getaxeerd. De inspecteur heeft verweerder laten weten zich niet in de taxatie te kunnen vinden, en zich daaraan (dus) niet gebonden te achten. De mediator heeft de rechtbank nadien bericht dat de mediation niet tot een oplossing van het geschil heeft geleid. De procedure is geëindigd met een onbevoegdverklaring door de rechtbank.

De procedure

In deze procedure bij de civiele rechter stelt verweerder zich op het standpunt dat tussen hem en de inspecteur een bindende overeenkomst tot stand is gekomen (strekkend tot herberekening van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting overeenkomstig de verrichte hertaxatie), en vordert hij veroordeling van de Staat tot nakoming van die overeenkomst. De rechtbank wees de vordering af, maar het hof wees haar toe. Het hof heeft daarbij de Staat ook veroordeeld de naheffingsaanslag vast te stellen overeenkomstig de taxatie, op straffe van een dwangsom.

Gebondenheid aan “tussentijdse afspraken” tijdens mediation?

In cassatie gaat het in de eerste plaats om de vraag of de inspecteur (en daarmee de Staat) gebonden is aan de taxatie die tijdens het mediationtraject heeft plaatsgevonden. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. Tussen partijen staat vast dat de mediation niet heeft geleid tot eindovereenstemming, zoals bedoeld in art. 4.5, tweede “bullet” van de mediationovereenkomst. Voor de totstandkoming van bindende afspraken tijdens de mediation (die ook blijven gelden als de mediation vervolgens mislukt), gelden volgens art. 4.5, eerste “bullet” vormvereisten. De Staat heeft aangevoerd dat aan twee van die vereisten – ondertekening door de mediator “voor akkoord” en vermelding dat partijen aan de afspraak juridisch zijn gebonden – in dit geval niet is voldaan. Het hof had dit betoog van de Staat verworpen door onder meer te overwegen dat de afspraak omtrent de hertaxatie niet bedoeld was als een “proefballon”, en dat het enkele feit dat de afspraak niet “voor akkoord” was getekend door de mediator daaraan niet kon afdoen, nu de mediator van de afspraak wel op de hoogte was en daarmee kennelijk instemde.

De Hoge Raad acht deze oordelen van het hof onjuist. De Hoge Raad wijst er eerst op dat volgens art. 4.4 en 4.5 van de mediationovereenkomst (evenals volgens het NMI-reglement) eventuele afspraken die in het kader van de mediation zijn gemaakt niet bindend zijn, tenzij is voldaan aan de uitdrukkelijk overeengekomen vormvereisten. Dit strookt volgens de Hoge Raad met het niet-verplichtende en vrijblijvende karakter van mediation: partijen kunnen van door hen gedane voorstellen, standpunten, mededelingen of toezeggingen terugkomen zolang zij niet op de wijze als in de mediationovereenkomst bepaald, een bindende afspraak hebben bereikt en vastgelegd. De Hoge Raad wijst vervolgens op het belang van de vormvereisten die in de mediationovereenkomst zijn neergelegd voor de totstandkoming van tussentijdse bindende afspraken tijdens de mediation (die partijen ook blijven binden als de mediation niet tot eindovereenstemming leidt):

“Die vormvereisten strekken ertoe voor partijen buiten twijfel te stellen dat, in afwijking van het niet verplichtende en vrijblijvende karakter van de mediation, sprake is van een hen bindende tussentijdse afspraak. In dit licht zijn de vereisten dat de mediator de schriftelijke vastlegging van een bindende tussentijdse afspraak ‘voor gezien’ mee ondertekent en dat in die schriftelijke vastlegging wordt vermeld dat partijen aan de afspraak juridisch worden gebonden, erop gericht dat de mediator – als deskundige begeleider van de mediation – voor partijen kenbaar ‘bezegelt’ dat geen sprake is van slechts een (werk)afspraak in het proces naar een nog te bereiken bindende overeenstemming, maar van een tussentijdse afspraak waaraan partijen ook na beëindiging van de mediation zonder dat algehele (eind)overeenstemming is bereikt, juridisch gebonden blijven.”

Dit brengt mee – aldus nog steeds de Hoge Raad –dat partijen aan een tijdens de mediation gemaakte afspraak in beginsel niet het vertrouwen mogen ontlenen dat die afspraak hen na beëindiging van de mediation juridisch blijft binden, als niet is voldaan aan de daartoe in de mediationovereenkomst overeengekomen vormvereisten. In de onderhavige zaak staat vast dat de door partijen getekende overeenkomst met betrekking tot de taxatie niet met zoveel woorden vermeldt dat partijen aan de afspraak juridisch worden gebonden, terwijl de overeenkomst ook niet door de mediator “voor gezien” is getekend. Tegen deze achtergrond kon het hof niet oordelen dat verweerder de overeenkomst toch mocht opvatten als een tussentijdse bindende afspraak (als bedoeld in art. 4.5, tweede bullet, van de mediationovereenkomst). De omstandigheid dat – zoals het hof overwoog – de overeenkomst “kennelijk wel de instemming van de mediator had”, acht de Hoge Raad onvoldoende om een ander oordeel te rechtvaardigen.

Uit deze overwegingen lijkt af te leiden dat de Hoge Raad veel waarde hecht aan het vrijwillige en vrijblijvende karakter van mediation. Het staat partijen vrij om zich tijdens een mediationtraject terug te trekken, en daarbij past dat partijen niet gebonden kunnen worden aan tussentijdse (werk)afspraken gedurende de mediation, als niet ondubbelzinnig blijkt dat deze afspraken zijn bedoeld om óók te gelden als de mediation later mislukt. De vormvoorschriften die in dit geval in de mediationovereenkomst waren gesteld, strekken ertoe om zeker te stellen dat partijen zich deze consequenties realiseren, en aan die vormvoorschriften kan daarom niet licht worden voorbijgegaan.

Geen veroordeling Staat tot vaststellen naheffingsaanslag

De Staat heeft in cassatie ook succes met de klacht dat het hof ten onrechte een veroordeling had uitgesproken tot het opnieuw vaststellen van de naheffingsaanslag van verweerder. De Hoge Raad oordeelt dat áls de door verweerder gestelde overeenkomst zou meebrengen dat de inspecteur gehouden zou zijn tot het vaststellen van een aanslag met een bepaalde inhoud, dit moet worden aangemerkt als een zogeheten bevoegdhedenovereenkomst. Een dergelijke overeenkomst heeft volgens de Hoge Raad een gemengd – zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk – karakter. De bevoegdheidsverdeling tussen burgerlijke rechter en bestuursrechter brengt dan mee dat

“indien [verweerder] naleving wenst van de voor de Inspecteur uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting tot het nemen van een bepaald besluit (het opleggen van een belastingaanslag), hij zich – na een eventueel bezwaar – tot de bestuursrechter dient te wenden, zowel indien het toegezegde besluit niet genomen wordt (vgl. art. 6:2 Awb) als indien het genomen besluit niet beantwoordt aan de overeenkomst (vgl. HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057, NJ 2011/463).”

De Staat is in deze zaak in cassatie bijgestaan door Kasper Jansen en de auteur, en in feitelijke instanties door Wemmeke Wisman.

Share This