HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2824

(1) Van een balkon of soortgelijk werk in de zin van art. 5:50 BWC (gelijkluidend aan art. 5:50 lid 1 BW) is sprake indien het gaat om een constructie die vanaf enige hoogte boven de grond een uitzicht op het naburige erf geeft. Welke hoogte voldoende is om een constructie aan te merken als een zodanig balkon of soortgelijk werk hangt af van de omstandigheden van het geval. (2) De nabuur kan zich niet tegen de aanwezigheid van een balkon of soortgelijk werk verzetten indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van het werk zich bevindende muur.

Achtergrond

In deze Caribische zaak gaat het om de hoogte van een scheidsmuur tussen twee appartementencomplexen gelegen op Curaçao. Verzoeker is eigenaar van een appartement en stelt hinder van de 2,4 meter hoge muur te ondervinden en vordert dat de muur wordt verlaagd. Hij legt daaraan ten grondslag dat door de hoogte van de muur sprake is van onrechtmatige hinder, wat ingevolge art. 5:37 BWC onrechtmatig is. Het gerecht heeft de vordering toegewezen en heeft verweerder bevolen de hoogte van de muur terug te brengen naar 1,5 meter.

Verweerder is tegen het vonnis in hoger beroep gegaan bij het Gemeenschappelijk hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof). In hoger beroep is een beroep gedaan op art. 5:50 BWC (gelijkluidend aan art. 5:50 BW). Dit artikel strekt tot bescherming van de privacy van buren. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat het (behoudens toestemming van de eigenaar van het naburige erf) niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van een naburig erf balkons of soortgelijke werken te hebben, indien deze uitzicht op dit erf geven. Het tweede lid bepaalt voorts dat de nabuur zich niet tegen de aanwezigheid van zodanige werken kan verzetten, indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van het werk zich bevindende muur. Een dergelijke muur hoeft ingevolge art. 5:49 BWC niet hoger te zijn dan 1,5 meter (in Nederland geldt ingevolge art. 5:49 BW een hoogte van 2,0 meter).

Voor het appartement van verzoeker lag een terras van houten vlonders. Deze vlonders lagen minder dan 2,0 meter van de muur af. Volgens het hof konden de houten vlonders als soortgelijk werk in de zin van artikel 5:50 BWC worden aangemerkt, waarvandaan uitzicht op het naburige erf bestond. Het hof heeft geoordeeld dat de privacy van de bewoners van het aangrenzende appartementencomplex na verlaging van de muur naar 1,5 meter onvoldoende was verzekerd tegen inkijk vanaf de houten vlonders.

Cassatie

De Hoge Raad overweegt dat art. 5:50 lid 1 BWC ertoe strekt de mogelijkheid van uitzicht op buren te beperken (vgl. ook HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5547). Hieruit vloeit voort dat van een balkon of soortgelijk werk pas sprake is als het gaat om een constructie die vanaf enige hoogte een uitzicht geeft op het naburige erf dat vanaf de grond niet bestaat. Het is niet vereist dat de constructie hoger ligt dan de begane grond, aldus de Hoge Raad. Welke hoogte voldoende is om iets aan te merken als een zodanig balkon of soortgelijk werk, hangt volgens de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval.

De Hoge Raad overweegt verder dat een scheidsmuur op grond van art. 5:49 BWC niet hoger hoeft te zijn dan 1,5 meter. Art. 5:50 lid 2 BWC berust volgens de Hoge Raad op de gedachte dat een scheidsmuur van 1,5 meter voldoende is ter bescherming van privacy. Er is dan geen sprake van ontoelaatbaar uitzicht op het naburige erf vanaf het balkon of soortgelijk werk. Daarbij is wel van belang dat als de muur zich niet op het werk bevindt, de hoogte dan gemeten moet worden vanaf het oppervlak van het werk waarvandaan de gebruiker zicht kan hebben op het naburige erf. In dit geval stond de scheidsmuur nagenoeg tegen de houten vlonders aan en de muur had ten opzichte van de vlonders een hoogte van 1,5 meter. Volgens de Hoge Raad heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom de houten vlonders kunnen worden aangemerkt als soortgelijk werk in de zin van art. 5:50 lid 1 BWC. Bovendien acht de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de privacy niet is verzekerd onbegrijpelijk.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding terug naar het hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This