HR 1 november 2019 ECLI:NL:HR:2019:1690

Volgens het HvJEU in de arresten Petruhhin en Pisciotti volgt uit de vrijheid van iedere burger van de Unie om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (art. 21 VWEU) en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (art. 18 VWEU) dat de aangezochte lidstaat de andere lidstaat op de hoogte dient te brengen van een uitleveringsverzoek van een derde staat, teneinde deze andere lidstaat in de gelegenheid te stellen een Europees arrestatiebevel ten aanzien van zijn staatsburger uit te vaardigen tot overlevering met het oog op vervolging. Uit het arrest Raugevicius volgt dat in geval van een uitleveringsverzoek teneinde een straf te ondergaan voor de aangezochte lidstaat geen informatieverplichting bestaat zoals omschreven in eerstgenoemde arresten, maar moet worden beoordeeld of de opgelegde straf in de aangezochte lidstaat ten uitvoer moet worden gelegd.

Achtergrond

Een Bulgaarse vreemdeling is in 2013 in Turkije veroordeeld tot een gevangenisstraf van ruim twaalf jaar voor betrokkenheid bij een (poging tot) uitvoer van 45 kilogram heroïne naar Bulgarije. Dat vonnis is in 2015 in hoger beroep bekrachtigd. In 2014, hangende het hoger beroep, begeeft de vreemdeling zich met zijn Bulgaarse vrouw en kinderen naar Nederland. In 2016 vraagt Turkije Nederland om zijn uitlevering teneinde de hem opgelegde gevangenisstraf te ondergaan.

De uitleveringsrechter staat de uitlevering toe. In kort geding wijst de voorzieningenrechter in 2018 de vordering van de opgeëiste persoon tot een verbod tot uitlevering af. In hoger beroep vernietigt het hof dat vonnis, omdat het hof meent dat, hoewel de Staat de Bulgaarse autoriteiten van het Turkse verzoek op de hoogte had gesteld, de Staat de Bulgaarse autoriteiten meer informatie over de door Turkije opgeëiste persoon had moeten verstrekken, teneinde een dreigende inbreuk op diens gezinsleven te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Daarbij baseerde het hof zich op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake achtereenvolgens Petruhhin (HvJEU 6 september 2016, C-182/15) en Pisciotti (HvJEU 10 april 2018, C-191/16), en op art. 7 van het Handvest van de grondrechten en art. 8 EVRM.

Hoge Raad

De Hoge Raad constateert dat uit het inmiddels door het Hof van Justitie gewezen arrest Raugevicius (HvJEU 13 november 2018, C-247/17) volgt dat in een geval als het onderhavige voor de aangezochte lidstaat geen informatieverplichting zoals omschreven in de arresten Petruhhin en Pisciotti bestaat. Het hof is dan ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Staat niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting en dat om die reden de Minister in redelijkheid niet kon beslissen om tot uitlevering over te gaan.

Het hof heeft niet onderzocht of de vreemdeling permanent op het grondgebied van de Staat verblijft als bedoeld in het arrest Raugevicius en zo ja, of dat meebrengt dat de straf van in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd en dan ook, overeenkomstig het arrest Raugevicius, dient te worden gelegd. Uit het arrest Raugevicius volgt immers, aldus de Hoge Raad, dat in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een verzoek tot uitlevering met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, moet worden onderzocht of de opgeëiste persoon permanent op het grondgebied van de Staat verblijft als bedoeld in dat arrest en dat, indien dat het geval is, hij wat betreft uitlevering op dezelfde wijze moet worden behandeld als de eigen onderdanen van de Staat. In dat verband is van belang dat Nederlandse onderdanen op grond van art. 4 Uitleveringswet en art. 6 van het Europees Uitleveringsverdrag niet worden uitgeleverd voor de tenuitvoerlegging van een straf en dat in plaats daarvan de opgelegde straf in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd onder de voorwaarden, genoemd in onder meer de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof.

Share This