Selecteer een pagina

HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0265 (Allposters/Pictoright)

De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het HvJEU: kan het distributierecht van de auteursrechthebbende worden uitgeoefend ten aanzien van een reproductie van een auteursrechtelijk beschermd werk dat door of met toestemming van de rechthebbende in de EER is verkocht en geleverd, indien deze reproductie nadien een wijziging ten aanzien van de vorm heeft ondergaan en in die vorm opnieuw in het verkeer wordt gebracht?

Achtergronden

Pictoright behartigt de belangen van (de erven van) bekende kunstenaars. Bij Allposters zijn reproducties van werken van die kunstenaars te bestellen, niet alleen op papier, maar ook op canvas. Allposters hanteert voor reproducties op canvas het procédé van canvas transfer: zij neemt een papieren poster, brengt op die poster een kunststof laag aan (het laminaat), zet de afbeelding van het papier met een chemisch procédé over op een canvasdoek en spant het canvasdoek op een houten frame.

Volgens Pictoright maakt Allposters hiermee inbreuk op het auteursrecht van de kunstenaar. Allposters betwist dit en beroept zich op art. 12b Aw, dat luidt:

“Indien een exemplaar van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst door of met toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende voor de eerste maal in een van de lidstaten van de Europese Unie of in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte in het verkeer is gebracht door eigendomsoverdracht, dan vormt het anderszins in het verkeer brengen van dat exemplaar, met uitzondering van verhuur en uitlening, geen inbreuk op het auteursrecht.”

Allposters stelt dat de papieren posters die worden gebruikt bij het canvas transfer-procédé met toestemming van de rechthebbenden in het verkeer gebracht zijn, zodat het auteursrecht daarop is uitgeput. Volgens Pictoright is echter sprake van verspreiding van het werk onder het publiek in een andere vorm, waardoor Allposters een nieuwe exploitatiemogelijkheid heeft gekregen, en is daarom geen sprake van doorverkoop van een werk waarop het auteursrecht is uitgeput, maar om een nieuwe openbaarmaking in de zin van art. 12 Aw.

De Poortvlietmaatstaf

Het hof heeft Pictoright in het gelijk gesteld, onder verwijzing naar het Poortvliet-arrest van de Hoge Raad (HR 19 januari 1979, NJ 1979/412). Die zaak ging over kalenders met reproducties van schilderijen van tekenaar Rien Poortvliet. Ene Hovener kocht de kalenders, knipte de afbeeldingen van Poortvliet zonder diens toestemming uit de kalenders, plakte deze op spaanplaat en bracht ze in de handel. Poortvliet verzette zich daartegen. De Hoge Raad besliste in het voordeel van Poortvliet en oordeelde dat van uitputting niet langer sprake is op de enkele grond dat de wederverkoper de reproducties een andere vorm heeft gegeven en ze in die vorm onder het publiek heeft verspreid (de “Poortvlietmaatstaf“). Dat lag volgens het hof bij de canvas transfers niet anders.

Allposters is van dit oordeel in cassatie gekomen. Volgens haar heeft de Poortvlietdoctrine geen gelding meer, omdat de auteursrechtelijke uitputtings- en openbaarmakingsbegrippen inmiddels Europees zijn geharmoniseerd. Zij verwijst naar art. 4 lid 2 Auteursrechtrichtlijn:

“Het distributierecht met betrekking tot het origineel of kopieën van een werk is in de Gemeenschap alleen dan uitgeput, wanneer de eerste verkoop of andere eigendomsovergang van dat materiaal in de Gemeenschap geschiedt door de rechthebbende of met diens toestemming.”

Volgens Allposters wordt deze uitputting niet terzijde geschoven wanneer de zaak waarin het werk is belichaamd, de drager, een wijziging heeft ondergaan. Het hof had het Unierechtelijke begrip “recht van distributie onder het publiek” in de zin van art. 4 lid 1 ARl moeten toepassen, en niet het Nederlandse begrip “openbaarmaking” als bedoeld in art. 12 Aw, aangezien daaronder mede valt het recht van mededeling aan het publiek als bedoeld in art. 3 ARl. Dat recht is hier niet relevant, stelt Allposters. Volgens haar heeft art. 4 lid 1 ARl betrekking op de distributie van een werk dat in een tastbare zaak is belichaamd (ter onderscheiding van art. 3 ARl, dat ziet op het recht van mededeling aan het publiek). Uitputting als bedoeld in art. 4 lid 2 ARl treedt op bij distributie van een werk dat in een tastbare zaak, een exemplaar, is belichaamd, als dat exemplaar door de rechthebbende of met diens toestemming in de EER in het verkeer is gebracht. Een eventuele latere wijziging in het exemplaar of het materiaal heeft geen gevolgen voor de uitputting.

Pictoright neemt een ander standpunt in. Volgens haar heeft de Poortvlietmaatstaf na de implementatie van de Auteursrechtrichtlijn zijn gelding behouden omdat het bewerkingsrecht nog niet in het Europese auteursrecht zou zijn geharmoniseerd, of sluit deze maatstaf in elk geval goed aan bij het Unierecht. Een richtlijnconforme uitleg van art. 12b Aw vergt volgens Pictoright dat rekening wordt gehouden met de bewoordingen en de context van de bepalingen van de Auteursrechtrichtlijn. De woorden “dat materiaal” in art. 4 lid 2 ARl wijzen terug naar de woorden “het origineel of kopieën daarvan” in art. 4 lid 1 ARl (“De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden“). De canvas transfers kunnen niet als zodanig gelden, omdat zij als gevolg van ingrijpende wijzigingen wezenlijk verschillen van de oorspronkelijke posters.

Prejudiciële vragen

Volgens de Hoge Raad is twijfel mogelijk over de uitleg en toepasselijkheid van art. 4 ARl. Hij stelt daarom de volgende vragen aan het HvJEU.

“1. Beheerst art. 4 Auteursrechtrichtlijn het antwoord op de vraag of het distributierecht van de auteursrechthebbende kan worden uitgeoefend ten aanzien van een reproductie van een auteursrechtelijk beschermd werk dat door of met toestemming van de rechthebbende in de EER is verkocht en geleverd, indien deze reproductie nadien een wijziging ten aanzien van de vorm heeft ondergaan en in die vorm opnieuw in het verkeer wordt gebracht?

2(a) Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, is dan de omstandigheid dat sprake is van een wijziging als in vraag 1 bedoeld, van betekenis voor het antwoord op de vraag of uitputting als bedoeld in art. 4 lid 2 Auteursrechtrichtlijn wordt verhinderd of doorbroken?

b) Indien het antwoord op vraag 2(a) bevestigend luidt, welke maatstaven dienen dan te worden aangelegd om van een wijziging ten aanzien van de vorm van de reproductie te spreken die uitputting als bedoeld in art. 4 lid 2 Auteursrechtrichtlijn verhindert of doorbreekt?

c) Laten die maatstaven ruimte voor de in het nationale recht in Nederland ontwikkelde maatstaf, inhoudende dat van uitputting niet langer sprake is op de enkele grond dat de wederverkoper de reproducties een andere vorm heeft gegeven en ze in die vorm onder het publiek heeft verspreid (HR 19 januari 1979, NJ 1979/412, Poortvliet)?”

Share This