HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3627

Voorzichtigheid is geboden bij het inlezen van rechtsopvattingen in EHRM-arresten waarin in een vergelijkbare kwestie een schending van art. 10 EVRM is aangenomen: het kan zijn dat de uitspraken van de nationale rechter in die zaken slechts onvoldoende waren gemotiveerd.

X was verdachte in een strafrechtelijk onderzoek naar faillissementsfraude binnen het RDM-concern, waar hij als financial controller werkte. In (onder meer) het tijdschrift Quote werd hij met zijn volledige naam als verdachte aangeduid. Een klacht daarover bij de Raad voor de Journalistiek werd gegrond bevonden, maar Quote was daar niet van onder de indruk. X begon een rechtszaak tegen de uitgever van Quote. Volgens de rechtbank (zie het vonnis hier) woog in dit geval de uitingsvrijheid van Quote zwaarder dan de bescherming van de goede naam van X. Het hof (hier) kwam tot een andere afweging, en kende daarbij belang toe aan de omstandigheden dat X:

– geen publiek figuur is;
– een beperkte rol heeft gespeeld in de door de publicaties onthulde misstand;
– geen publieke functie uitoefent;
– ten tijde van de publicaties slechts de status van verdachte in een strafzaak had, en
– op geen enkele wijze de publiciteit had gezocht.

Dit zijn allemaal omstandigheden die passen in de gezichtspuntencatalogus die we kennen uit het Gemeenteraadslid-arrest van de Hoge Raad en standaarduitspraken van het EHRM over de verhouding tussen art. 8 en art. 10 EVRM zoals Axel Springer/Duitsland. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden meegenomen in de beoordeling, maar als het hof dat heeft gedaan, is de afweging verder een feitelijke kwestie die in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst (alleen op begrijpelijkheid).

Bij die stand van zaken was voorstelbaar geweest dat de Hoge Raad de zaak met toepassing van art. 81 lid 1 RO had afgedaan. De Hoge Raad bespreekt echter expliciet een van de cassatieklachten waarin een beroep was gedaan op drie EHRM-uitspraken waarin een veroordeling wegens het bekendmaken van de identiteit van een verdachte als een ontoelaatbare inperking van de uitingsvrijheid werd aangemerkt: Eerikaïnen c.s./Finland (EHRM 10 februari 2009, nr. 3514/02), Standard Verlags/Oostenrijk (EHRM 10 januari 2012, nr. 34702/07) en Lahtonen/Finland (EHRM 17 januari 2012, nr. 29576/09). De Hoge Raad overweegt dat er in die zaken iets anders speelde wat in de Quote-kwestie niet aan de orde was:

“[De klacht miskent] dat het EHRM in elk van deze drie zaken weliswaar tot het oordeel is gekomen dat sprake was van een schending van art. 10 EVRM, maar zijn oordeel in belangrijke mate heeft gebaseerd op een motiveringsgebrek in de beslissing van de nationale rechter – doordat niet duidelijk was welke betekenis daarin was toegekend aan bepaalde, op zichzelf relevante, omstandigheden (vgl. Eerikaïnen c.s./Finland rov. 69-70), of de appelrechter niet was ingegaan op een door de rechter in eerste aanleg in aanmerking genomen, relevante omstandigheid (vgl. Standard Verlags/Oostenrijk, rov. 45) – dan wel op het onevenredig zware karakter van de opgelegde sanctie (vgl. Lahtonen/Finland, rov. 78-81). Ook in zoverre volgt uit deze uitspraken van het EHRM niet dat het oordeel van het hof berust op een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 10 EVRM.”

Lezenswaardig is de conclusie van A-G Langemeijer, die uitvoerig ingaat op de rechtspraak en regelgeving over het al dan niet noemen van de naam van een verdachte.

Share This