Selecteer een pagina

HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841 (Holding BV/Heijmans Infra BV)

De maatstaf die geldt voor de uitleg van de pandakte dient onderscheiden te worden van de maatstaf die geldt bij de vraag of een vordering krachtens die pandakte stil is verpand.

Het gaat in dit geschil over de vraag of eiseres tot cassatie (hierna: Holding BV) een rechtsgeldig pandrecht heeft verkregen op een vordering van A BV op verweerster in cassatie (hierna: Heijmans). A BV heeft zich in een pandovereenkomst jegens Holding BV verplicht om al haar vorderingen op derden die zij heeft of zal hebben aan Holding BV te verpanden. Deze verpanding geschiedde bij een zogenoemde verzamelpandakte-constructie. Hiertoe werd tussen pandgever en pandnemer eerst een ‘stampandakte’ opgemaakt, waarin het volgende was bepaald:

“Tot meerdere zekerheid voor de betaling of teruggave van al hetgeen de pandgever aan pandnemer nu of te eniger tijd schuldig mocht zijn of worden […] verpandt de pandgever aan de pandnemer […] zijn gehele bedrijfsuitrusting, zulks in de ruimste zin […].

Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij op derden heeft of zal hebben, uit hoofde van geleverde goederen, verrichte diensten, geleende gelden, provisies of uit welken hoofde ook, hierna te noemen ” de vorderingen “.

De verpanding zal geschieden door middel van daartoe door pandnemer vastgestelde formulieren, danwel andere documenten ten genoege van pandnemer waaruit van de verpanding aan pandnemer blijkt.” [onderstreping auteur]

Holding BV vordert in deze procedure betaling van een geldbedrag. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat A BV op grond van werkzaamheden in een project een vordering op Heijmans heeft, die volgens Holding BV aan haar zou zijn verpand. Heijmans heeft hiertegen aangevoerd dat de vordering van Holding BV niet was verpand, nu deze niet is vermeld in de pandakte.

Het hof heeft de vordering van Holding BV afgewezen. De vorderingen van A BV kwamen niet voor op de lijst van vorderingen die bij de pandakte was gevoegd. Daarnaast bevatte de pandakte ook geen aanknopingspunten op grond waarvan achteraf aan de hand van die akte kon worden vastgesteld of de vorderingen verpand waren. Dat het de bedoeling van A en Holding BV zou zijn geweest om vorderingen van A op Heijmans bij die akte te verpanden, is niet relevant, omdat de vorderingen niet op de lijst voorkwamen.

Holding BV klaagt in cassatie dat het hof heeft miskend dat voor de bepaling van de inhoud van de pandakte en of de vordering krachtens die akte stil is verpand, ook de bedoeling van partijen relevant is. Zij bepleit kort gezegd toepassing van de Haviltex-maatstaf. Deze subjectieve uitleg dient volgens Holding BV door te werken in de vraag of voldaan is aan het bepaalbaarheidsvereiste voor de verpanding van de vordering.

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand. Hiertoe overweegt de Hoge Raad (in lijn met de conclusie van A-G Rank-Berenschot en het door hem aangehaalde arrest De Liser de Morsain/Rabo, ECLI:NL:HR:2003:AF4602):

“3.2 De vestiging van een stil pandrecht op een vordering op naam geschiedt bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar van de verpande vordering (art. 3:239 lid 1 BW). Bij uitleg van de pandakte komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 in verbinding met art. 3:98 BW voortvloeiende vereiste dat de pandakte ten tijde van de verpanding de te verpanden vordering in voldoende mate bepaalt. Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.”

De vraag of een bepaalde vordering verpand is, dient dus te worden onderscheiden van uitleg van de pandakte zelf. Het hof heeft bij zijn oordeel volgens de Hoge Raad klaarblijkelijk het oog gehad op het bepaaldheidsvereiste en heeft (terecht) niet beoogd de pandakte uit te leggen.

Ook bij de wijze waarop het hof heeft onderzocht of aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof lijkt een maatstaf te hanteren die strenger is dan die in de hierboven geciteerde overweging door de pandlijst als leidend te beschouwen. Nu het hof daarna heeft overwogen dat de pandakte geen gegevens bevat aan de hand waarvan achteraf kan worden vastgesteld dat daarbij de vordering in kwestie was verpand, blijkt het hof toch een juiste maatstaf aan zijn oordeel ten grondslag te hebben gelegd.

Share This