HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2194

De verjaringsregeling van art. 3:307 BW is slechts van toepassing op vorderingen tot nakoming van contractuele verbintenissen die in het geheel niet zijn nagekomen. Indien een zodanige verbintenis gedeeltelijk of anderszins gebrekkig is nagekomen, geldt de regeling van art. 3:311 lid 1 BW. Dat geldt ook indien de verschuldigde prestatie deelbaar is. 

De casus

Verweerster in cassatie was eigenaar van een huis met tuin (perceel 1) en van een daarnaast gelegen stuk grond (perceel 2). Zij woonde daar enige tijd samen met eiseres tot cassatie, met wie zij in 2001 een mondelinge koopovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot (in ieder geval) het huis. Bij de notaris is vervolgens (alleen) perceel 1 geleverd aan eiseres. Nadat de relatie tussen eiseres en verweerster in 2005 tot een einde was gekomen, heeft verweerster het huis verlaten (terwijl eiseres daar is blijven wonen).

In deze procedure stelt eiseres dat de koopovereenkomst óók betrekking had op perceel 2. Zij vordert daarom primair levering van dit perceel. Verweerster heeft hier tegenin gebracht (i) dat de overeenkomst alleen zag op perceel 1 en (ii) dat de gestelde vordering tot levering van perceel 2 sowieso is verjaard (aangezien vijf jaar is verstreken nadat zij opeisbaar was geworden; art. 3:307 BW). Volgens eiseres is van verjaring evenwel geen sprake, aangezien niet de regeling van art. 3:307 BW (voor nakomingsverbintenissen), maar die van art. 3:311 BW (voor herstelvorderingen) van toepassing is.

Bevrijdende verjaring?

Anders dan de rechtbank – die had geoordeeld dat de koopovereenkomst niet verplichtte tot levering van perceel 2 – heeft het hof de primaire vordering afgedaan op het verjaringsverweer. Daarbij heeft het hof in het midden gelaten of de overeenkomst ook betrekking had op perceel 2, zodat in cassatie uitgangspunt is dit wél het geval was (in cassatiejargon heet dit: hypothetische feitelijke grondslag).

Voor de verjaringsvraag was van belang welke regime van toepassing was: dat van art. 3:307 BW, of dat van art. 3:111 BW. Eerstgenoemde regeling bepaalt, voor zover relevant, dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst verjaart door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Ingevolgde de regeling van art. 3:111 BW verjaart een rechtsvordering tot herstel van een tekortkoming (in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst) door verloop van vijf jaar nadat de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden. De regeling voor herstelvorderingen kent dus een ander (vaak: later) aanvangstijdstip van de verjaringstermijn.

Volgens het hof was sprake van een vordering tot nakoming van een verbintenis tot levering van perceel 2, waarop art. 3:307 BW moet worden toegepast. Het hof leek de (hypothetische) verplichting tot levering van perceel 2 namelijk te zien als een zelfstandige verbintenis, die moet worden onderscheiden van de verbintenis tot levering van perceel 1 en die in het geheel niet was nagekomen.

Deze beslissing houdt in cassatie geen stand. Volgens de Hoge Raad had het hof de regeling van art. 3:311 BW moeten toepassen. Over de verhouding tussen beide verjaringsregelingen merkt hij op dat art. 3:311 moet worden beschouwd als een voorschrift dat voor (onder meer) een vordering tot herstel van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst een bijzondere regeling inhoudt ten opzichte van de algemene regeling van art. 3:307. Dit brengt mee, aldus de Hoge Raad, dat:

“3.3.3 (…) art. 3:307 BW slechts van toepassing is op vorderingen tot nakoming van contractuele verbintenissen die in het geheel niet zijn nagekomen. Indien een zodanige verbintenis gedeeltelijk of anderszins gebrekkig is nagekomen, geldt de regeling van art. 3:311 lid 1 BW. Dat geldt ook indien de verschuldigde prestatie deelbaar is. Een andere opvatting zou afdoen aan de hanteerbaarheid van de verjaringsregeling en onder omstandigheden tekort doen aan de bescherming die de schuldeiser ontleent aan het in art. 3:311 lid 1 BW neergelegde aanvangstijdstip van de daar geregelde verjaring.”

De Hoge Raad voegt hieraan toe dat bij een (hypothetische) overeenkomst als de onderhavige (waarbij één koopprijs is bedongen voor een vrijstaand huis met schuur en tuin etc.) in beginsel sprake is van slechts één verbintenis tot levering, óók als het verkochte twee kadastrale percelen (en dus twee zaken) omvat. Dat is slechts anders indien dat uit de overeenkomst voortvloeit, bijvoorbeeld indien met betrekking tot de percelen zo uiteenlopende bedingen zijn overeengekomen, zoals met betrekking tot de datum van overdracht, dat van afzonderlijke verbintenissen gesproken moet worden, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.3.4). Bij gebreke van dergelijke omstandigheden mocht het hof er dus niet van uitgaan dat hier sprake was van een afzonderlijke verbintenis (tot levering van perceel 2), die in het geheel niet was nagekomen (in welk geval art. 3:307 BW van toepassing zou zijn geweest).

Verkrijgende verjaring?

Subsidiair had eiseres overigens nog een beroep gedaan op verkrijgende verjaring van een gedeelte van perceel 2 (te weten: een strook die volgens haar bij de tuin van perceel 1 hoort; de erfgrens van de percelen zou namelijk niet gelijk lopen met de fysieke afscheiding ertussen, zodat deze strook optisch deel uitmaakt van perceel 1). Het hof heeft ook dit standpunt – dat gestoeld was op art. 3:99 BW – verworpen. Volgens het hof kon eiseres pas na het vertrek van verweerster uit het huis (in 2005) als bezitter van deze “overlap” worden aangemerkt (zodat de tienjaarstermijn nog niet was verstreken), en was zij bovendien niet te goeder trouw. Ook deze oordelen vinden geen genade bij de Hoge Raad.

Wat betreft het bezit van de overlap oordeelt de Hoge Raad dat, indien de overlap altijd bij de tuin van perceel 1 heeft gehoord, eiseres reeds na de overdracht van dit perceel bezitsdaden kan hebben verricht met betrekking tot deze overlap. En ook het oordeel over de goede trouw sneuvelt:

“3.4.3 (…) De omstandigheid dat de bezitter van een stuk grond die meent eigenaar daarvan te zijn, bij raadpleging van de kadastrale kaart – die geen deel uitmaakt van de openbare registers – had kunnen vaststellen dat de perceelsgrens een ander verloop heeft dan de situatie ter plaatse suggereert, staat niet eraan in de weg dat hij het stuk grond te goeder trouw kan bezitten.”

Verweerster is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur, en in feitelijke instanties door Tina Bakx-van den Anker.

Share This