HR 9 maart 2012, LJN BV8198

Dat een waterwoning geen zelfstandig drijfvermogen heeft en dat een bevestiging aan stabilisatiepalen moet voorkomen dat zij gaat kantelen, verhindert niet dat zij bestemd is om te drijven en in feite drijft, en dat zij daarmee een schip, en dus in beginsel een roerende zaak is. Bij de beantwoording van de vraag of de waterwoning op grond van artikel 3:4 BW als bestanddeel kan worden aangemerkt van het recreatiepark waarin zij is gelegen, dient niet het recreatiepark als mogelijke hoofdzaak in aanmerking te worden genomen, maar de grond onder en naast de waterwoning. Daarbij kan de verkeersopvatting alleen een rol spelen indien onzekerheid bestaat of de waterwoning kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd.

Het fiscale en het civiele recht zijn soms nauw met elkaar verweven: de belastingkamer van de Hoge Raad moest zich uitspreken over de vraag of een zaak roerend of onroerend was. Een civielrechtelijke vraag die ook van belang is voor het al dan niet verschuldigd zijn van belastingen. Uitgangspunt voor het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken vormt artikel 3:3 BW. Volgens het eerste lid van dit artikel zijn onroerend: de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, en gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn (art. 3:3 lid 2 BW).

In deze zaak was tussen de Staatssecretaris van Financiën (de Belastingdienst) en de belanghebbende in geschil of de waterwoning van belanghebbende (de “marina”) een onroerende zaak is. Met andere woorden, of de marina een gebouw of werk is dat duurzaam met de grond is verenigd. De marina ligt in een recreatiepark en bestaat uit een betonnen caisson (het drijflichaam) met een diepgang van ongeveer anderhalve meter, en een houten opbouw. De marina grenst aan één zijde aan een naastgelegen marina, aan één zijde aan open water en aan twee zijden aan de wal. Op de wal is een tuin aangelegd die grenst aan de marina. Het drijflichaam is aan twee palen bevestigd met twee dubbele beugels die langs deze palen vrij op en neer kunnen bewegen.

In cassatie werd door de Belastingdienst opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de marina roerend was. De Hoge Raad begint zijn oordeel met de overweging dat een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, moet worden aangemerkt als een schip in de zin van art. 8:1 BW. Vervolgens refereert de Hoge Raad aan zijn arrest van 15 januari 2010, waarin hij overwoog dat een schip in het algemeen een roerende zaak is (HR 15 januari 2010, LJN BK9136). De klacht dat de marina geen zelfstandig drijfvermogen heeft en dat de bevestiging aan stabilisatiepalen moet voorkomen dat zij gaat kantelen, faalt. Volgens de Hoge Raad verhinderen deze omstandigheden namelijk niet dat de marina bestemd is om te drijven en ook drijft in de zin van artikel 8:1 BW.

De overweging dat een schip “in het algemeen” een roerende zaak is, lijkt te impliceren dat een schip onder bijzondere omstandigheden onroerend kan zijn. Onder welke omstandigheden, dat maakt de Hoge Raad niet duidelijk. Blijkens het arrest van 15 januari 2010 leidt de omstandigheid dat een schip is verbonden met de onder dat schip gelegen bodem, op een wijze die toelaat dat het schip met de waterstand mee beweegt, in elk geval niet tot “het oordeel dat het schip met de bodem is verenigd in de zin van artikel 3:3 lid 1 BW.”

Ook de klacht dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het standpunt dat de marina onroerend is, omdat zij op grond van art. 3:4 BW volgens verkeersopvatting kan worden aangemerkt als bestanddeel van het recreatiepark waarin zij is gelegen, faalt:

“Bij de beantwoording van de vraag of de marina’s bestanddeel in de zin van artikel 3:4 BW van een onroerende zaak zijn, dient niet het recreatiepark als mogelijke hoofdzaak in aanmerking te worden genomen, maar – voor iedere afzonderlijke marina – de grond onder en naast die marina. Daarbij kan de verkeersopvatting alleen in aanmerking worden genomen in de gevallen dat onzekerheid bestaat of die marina kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd (zie HR 31 oktober 1997, LJN Z[C]2478, onderdeel 3.3, letter d). Dit is geen aspect dat zelfstandige beoordeling behoeft naast de vraagpunten waarop het arrest HR 15 januari 2010, LJN BK9136, betrekking heeft.”

Het oordeel dat de verkeersopvatting alleen in aanmerking kan worden genomen in de gevallen waarin onzekerheid bestaat of de marina kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd, is in lijn met het door de Hoge Raad aangehaald Portacabin-arrest uit 1997. Hierin oordeelde de Hoge Raad dat de verkeersopvattingen – anders dan voor de vraag of iets bestanddeel van een zaak is in de zin van artikel 3:4 BW – niet kunnen worden gebezigd als zelfstandige maatstaf voor de beoordeling of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen echter wel in aanmerking worden genomen in de gevallen dat in het kader van de beantwoording van die vraag onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd. Aangezien de Hoge Raad over de marina al heeft vastgesteld dat deze roerend is en dus niet duurzaam met de grond is verenigd, spelen de verkeersopvattingen geen rol van betekenis. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie daarom ongegrond.

Share This