HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2341

De wetswijziging tot beëindiging van bekostiging van onderwijs van de Turkse taal en cultuur in het basisonderwijs is niet in strijd met artikel 2 Eerste Protocol EVRM (vrijheid van onderwijs). Aan artikel 2 EP kan geen recht worden ontleend op het kunnen volgen van onderwijs in een bepaalde taal. Uit het artikel volgt evenmin de verplichting voor staten om onderwijs van een vreemde moedertaal aan te bieden of te subsidiëren. Daarnaast bestaat er ten aanzien van het kunnen volgen van onderwijs van de moedertaal niet een uit internationale instrumenten en statenpraktijk blijkende consensus.

Achtergrond van de zaak

Op 1 augustus 2004 is de Wet van 24 mei 2004 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs, onder meer in verband met de beëindiging van de bekostiging van het onderwijs in allochtone levende talen in werking getreden. Sinds de inwerkingtreding van deze wet wordt het onderwijs van allochtone talen niet meer door de overheid gesubsidieerd. De vereniging HTIB (waarborgt de rechten van Turkse arbeiders in Nederland), de vereniging Emcemo (bevordert het harmonieus samenleven van verschillende bevolkingsgroepen in Nederland) en de stichting SIOT (bevordert de integratie, emancipatie, participatie, zelfredzaamheid en bewustwording van de Turkse bevolking) vorderen in de onderhavige procedure een verklaring voor recht dat de Staat door het niet langer faciliteren van het onderwijs van de moedertaal aan kinderen in het basisonderwijs in strijd handelt met het recht op onderwijs, welk recht volgt uit diverse internationale verdragsbepalingen, dan wel met een andere regel van geschreven of ongeschreven internationaal recht, en daarmee onrechtmatig handelt. Op de Staat rust volgens hen een positieve verplichting om onderwijs in de moedertaal te faciliteren. Het hof wees de vordering af. De vordering werd afgewezen omdat volgens het hof uit de door eisers aangehaalde verdragsbepalingen geen recht op onderwijs van de moedertaal is af te leiden, ook niet wanneer de artikelen in een onderling verband worden gelezen. Uit de verdragsbepalingen kon volgens het hof dan ook geen aanspraak jegens de Staat op het volgen van onderwijs van de allochtone moedertaal worden afgeleid.

Cassatie

Eisers stellen zich in cassatie op het standpunt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen. Het hof zou volgens eisers acht moeten hebben slaan op de internationale consensus over de inspanningsplicht die staten hebben om “ontplooiing van allochtone jongeren in de samenleving te bevorderen en hun persoonlijke ontwikkeling te waarborgen door stimulering van de eigen culturele achtergrond, leidend tot versterking van het contact met hun ouders, overige familieleden het moederland”. Hierbij is een beroep gedaan op het arrest van het EHRM van 12 november 2008, nr. 34503/97, ECLI:NL:XX:2008:BH0824 (Demir and Baykara v. Turkey). Volgens eisers is het hof voorbijgegaan aan de stelling dat belangrijke mensenrechtenverdragen een internationale consensus laten zien. Dit is overigens niet eerder in feitelijke instanties aangevoerd.

In navolging van advocaat-generaal mr. R.H. de Bock acht de Hoge Raad deze klachten ongegrond. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat aan art. 2 EP geen recht kan worden ontleend op het kunnen volgen van onderwijs in een bepaalde taal en dat uit het artikel evenmin de verplichting voor staten volgt om bepaald soort onderwijs aan te bieden of te subsidiëren. Volgens de Hoge Raad bestaat er dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat art. 2 EP aanspraak geeft op het kunnen volgen van onderwijs van een vreemde moedertaal. Daarnaast overweegt de Hoge Raad dat er ten aanzien van het kunnen volgen van onderwijs van de moedertaal geen sprake is van een uit internationale instrumenten en statenpraktijk blijkende consensus. Het niet langer faciliteren van het onderwijs van de moedertaal aan kinderen op de basisschool acht de Hoge Raad dan ook niet onrechtmatig.

Aangezien ook de andere klachten niet tot cassatie kunnen leiden, wordt het cassatieberoep voor het overige ingevolge art. 81 RO zonder nadere motivering verworpen.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Gijsbrecht Nieuwland en in feitelijke instanties door Jannetje Bootsma.

Share This