HR 16 februari 2018 ECLI:NL: HR:2018:209

De tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in art. 7:297 lid 1 BW heeft geen betrekking op de eventuele goodwill die de huurder zou moeten betalen bij de verkrijging  ‘going concern’ van een nieuwe bedrijfslocatie. De tekst van art. 7:297 lid 1 BW geeft geen aanwijzing dat onder ‘verhuis- en inrichtingskosten’ ook zou vallen de in verband met een nieuwe locatie te betalen vergoeding voor goodwill. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:297 BW geeft daarvoor geen aanknopingspunt. 

Feiten

Deze zaak betreft de opzegging door verhuurder wegens dringend eigen gebruik van een huurovereenkomst voor een restaurant en de daarmee verband houdende toekenning van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten.  Sinds 1996 wordt het restaurant door eiser gehuurd en vanaf 1998 tevens de naast het restaurant gelegen bedrijfswoning, die gebruikt wordt als opslag en kantine voor het personeel van het restaurant. De huurovereenkomst is na ommekomst van twee termijnen van vijf jaren voortgezet voor onbepaalde tijd. De huurovereenkomst is door verhuurder in 2012 opgezegd tegen 1 juni 2014. De rechtbank heeft de daarmee samenhangende vordering tot vaststelling tijdstip ontruiming en beëindiging huurovereenkomst afgewezen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en heeft de vordering tot huurbeëindiging wegens dringend eigen gebruik van de verhuurder toegewezen en de verhuurder veroordeeld  tot betaling van  een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten van de huurder.

Cassatie

In cassatie wordt onder meer opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in art. 7:297 BW geen betrekking heeft op de eventuele goodwill die de huurder zou moeten betalen bij de verkrijging ‘going concern’ van een nieuwe bedrijfslocatie.  Dit oordeel week af van de wijze waarop de door het hof benoemde deskundige de vergoeding had berekend. Deze deskundige was ervan uitgegaan dat een nieuw te verwerven locatie in deze branche door indeplaatstelling als bedoeld in artikel 7:307 BW pleegt te worden verkregen, zodat de huurder in het kader van de daarmee gepaard gaande bedrijfsovername van de vertrekkende huurder van de vervangende locatie goodwill dient te betalen aan die desbetreffende vertrekkende huurder. Deze door de huurder, in verband met de indeplaatstelling te betalen goodwill, had de deskundige verdisconteerd in zijn berekening van de tegemoetkoming van de verhuis- en inrichtingskosten.

De Hoge Raad volgt de conclusie van A-G Wissink  dat art. 7:297 BW slechts ziet op kosten die te maken hebben met de verhuizing naar en de inrichting van de nieuwe bedrijfsruimte echter niet op een te betalen overnamesom voor de nieuwe bedrijfsruimte.

3.5.2

Voor zover hier van belang, bepaalt art. 7:297 lid 1 BW dat de rechter een bedrag kan vaststellen dat de verhuurder moet betalen aan de huurder “ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten”. De bepaling geeft niet een algemene bevoegdheid tot toekenning van een schadeloosstelling in verband met het betrekken van een nieuwe locatie, maar enkel de bevoegdheid tot toekenning van een vergoeding voor in de wet omschreven specifieke kostenposten. De tekst van art. 7:297 lid 1 BW geeft geen aanwijzing dat onder ‘verhuis- en inrichtingskosten’ ook zou vallen de in verband met een nieuwe locatie te betalen vergoeding voor goodwill. De bepaling heeft naar haar bewoordingen immers betrekking op (kosten verbonden met) het feitelijk betrekken van nieuwe bedrijfsruimte, terwijl een vergoeding voor goodwill ziet op, kort gezegd, de winstverwachting van het in die nieuwe bedrijfsruimte uit te oefenen bedrijf. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:297 BW geeft voor de opvatting van het onderdeel geen aanknopingspunt. De klacht faalt derhalve.

Aangezien het middel niet tot cassatie leidt, verwerpt de Hoge Raad het beroep en stelt een nieuwe  datum vast waarop de huurovereenkomst eindigt respectievelijk waarop het gehuurde dient te zijn ontruimd.

Eisers werden in cassatie bijgestaan door Mirella Peletier.

Share This