HR 19 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:636

De datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap is beslissend voor het antwoord op de vraag of toepassing moet worden gegeven aan art. 1:100 lid 2 (nieuw) BW  bij vaststellen draagplicht echtgenoot voor de schulden van de andere echtgenoot en niet de datum van de verdeling van de gemeenschap.

In de zaak met betrekking tot de verdeling van de op 2 december 2015 ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen (art. 1:99 lid 1 onder b BW) is de vraag aan de orde of de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de in de huwelijksgemeenschap vallende belastingschulden van de man. De vrouw klaagt In cassatie dat het hof bij de beantwoording van deze vraag ten onrechte niet de (ruimere) maatstaf van het met ingang van 1 januari 2018 in werking getreden art. 1:100 lid 2 BW heeft toegepast, maar de voordien geldende, in de rechtspraak ontwikkelde (stringentere) maatstaf.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet van 24 april 2017 niet voorziet in een bijzondere regel van overgangsrecht voor art. 1:100 lid 2 BW. Daarom moet worden aangenomen dat deze bepaling vanaf 1 januari 2018 van toepassing is op de verdeling van een huwelijksgemeenschap die ná die datum wordt ontbonden. Aangezien de onderhavige gemeenschap vóór 1 januari 2018 is ontbonden, is art. 1:100 lid 1 (oud) BW van toepassing.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Share This