HR 24 februari 2012, LJN ECLI:NL:HR:2012:BV0890 (Cassatie in het belang der wet)

De gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling (zoals het in de boedel vallen van verkregen goederen) eindigen direct na afloop van de termijn die voor de betrokken schuldsanering geldt (drie of ten hoogste vijf jaar). De schone lei treedt wel pas in werking nadat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

Het idee van de Wsnp is overzichtelijk: iemand die op een faillissement afstevent, zijn schulden “te goeder trouw” heeft gemaakt en in staat lijkt zich aan de regels te houden en zich in te spannen inkomsten te verwerven voor zijn schuldeisers, kan toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken. Na toewijzing van dat verzoek raakt hij voor drie jaar (of maximaal vijf jaar, zie art. 349a F, maar ik houd het hierna even op drie, de standaardduur) de beschikking over zijn vermogen kwijt. Zijn inkomsten worden verdeeld over zijn schuldeisers. Werkt de schuldenaar goed mee aan de uitvoering van de regeling, dan krijgt hij na die drie jaar een “schone lei”: zijn resterende schulden hoeven niet meer te worden betaald. Komt hij echter tussentijds zijn verplichtingen niet na, of blijkt later dat hij toch niet te goeder trouw was geweest, dan wordt de schuldsanering door de rechter omgezet in een faillissement.

De schuldsanering eindigt niet van rechtswege na drie jaar (HR 9 juli 2010, LJN ECLI:NL:HR:2010:BM2337, r.o. 4.2.2). Daarvoor is een uitspraak van de rechtbank nodig. De wet legt in art. 351a-356 F op de rechtbank de verplichting om zo dicht mogelijk bij het einde van de drie jaar het vonnis te wijzen waarin de rechtbank oordeelt over de nakoming van de verplichtingen door de schuldenaar. Zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, gaat de bewindvoerder “onverwijld” over tot het opmaken van een slotuitdelingslijst. De toepassing van de schuldsaneringsregeling is van rechtswege beëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, zegt art. 356 lid 2 F. Vanaf dat moment geldt ook de schone lei (art. 358 lid 1 F).

Dat de “termijn van de schuldsanering” in art. 349a F op drie jaar is gesteld, maar de “toepassing van de schuldsaneringsregeling” pas enige tijd later eindigt (art. 358 lid 1 F), is een voorbeeld van de notoire onduidelijkheid van de Faillissementswet. Wat geldt bijvoorbeeld als de slotuitdelingslijst lang op zich laat wachten? Dan is de toepassing van de schuldsaneringregeling dus nog niet geëindigd. Betekent dat dan ook dat goederen die door de schuldenaar worden verkregen na de drie jaar, maar voordat er een verbindende slotuitdelingslijst is, nog steeds in de boedel vallen?

In deze zaak had de schuldenaar de schuldsanering doorlopen. Na drie jaar had de rechtbank de schone lei verleend. Maar de bewindvoerder maakte niet “onverwijld” de slotuitdelingslijst op; toen vier maanden na het vonnis de moeder van de schuldenaar overleed, was er nog geen slotuitdelingslijst. De rechter-commissaris en de rechtbank oordeelden dat de schuldsanering nog niet was geëindigd en dat daarom dat de erfenis in de boedel viel. De rechtbank voegde daaraan toe dat, ook als de slotuitdelingslijst er wel was geweest, de erfenis nog steeds als nagekomen bate in de zin van art. 194 F ten goede van de schuldeisers zou zijn gekomen.

Dat klinkt nogal onredelijk. Natuurlijk, de schuldsaneringsregeling is een tegemoetkoming aan schuldenaren ten koste van hun schuldeisers, en de schuldenaren moeten er dan ook volledig meewerken dat de schuldeisers zo veel mogelijk worden voldaan. Maar de uitleg die de rechtbank aan de wet geeft, zou tot rechtsongelijkheid leiden waar de schuldenaar niets aan kan doen, omdat de afwikkeling van de schuldsanering na het vonnis buiten zijn macht plaatsvindt. Helaas is de schuldenaar niet tegen deze beschikking opgekomen. De procureur-generaal (lees: advocaat-generaal mr. L. Timmerman) deed dat wel, in het belang der wet. Hij betoogde onder meer:

In het algemeen genomen zou in de visie van de rechtbank het enkele feit dat de bewindvoerder teveel hooi op zijn vork heeft genomen of, erger nog, zijn zaakjes onvoldoende op orde heeft, met zich kunnen brengen dat de schuldenaar (veel) langer gebukt zou gaan onder het schuldsaneringsregime dan de termijn die (aanvankelijk) door de rechtbank […] was bepaald. […] Niet alleen de werkwijze van de bewindvoerder, maar ook schuldeisers kunnen er in de zienswijze van de rechtbank voor zorgen dat de schuldsanering de in art. 349a Fw neergelegde termijn overschrijdt. Indien alle instanties worden aangedaan, kan de schuldeiser door op te komen tegen de verlening van de schone lei de termijn met ruim een jaar verlengen. Ingeval de schuldenaar (ook nog) verzet aantekent tegen de slotuitdelingslijst, kan er eveneens of zelfs nog een jaar bij de door de rechter opgelegde termijn worden opgeteld, terwijl de schone lei in zo een geval reeds onherroepelijk is geworden. Zeker in dat laatste geval valt niet in te zien waarom de schuldsanering zou voortduren, als niet meer “het goede gedrag” van de schuldenaar, maar enkel de verdeling van de taartpunten tussen de bewindvoerder en de schuldeisers onderling ter discussie staat.  […] De schuldenaar ontleent een zekere verwachting aan de standaardtermijn van drie jaar en mag niet overgeleverd worden aan onzekerheid en, in sommige gevallen, willekeur, bijvoorbeeld de agenda of strategie van de bewindvoerder dan wel de grillen van schuldeisers.”

De Hoge Raad is het met mr. Timmerman eens: het was de bedoeling van de wetgever om drie jaar echt drie jaar te laten zijn. Om tot die uitkomst te komen, is wel een knap staaltje “redelijk wetsuitleggen” nodig:

Een en ander geeft voldoende grond om aan te nemen dat voor de toepassing van de tweede afdeling van titel III F. – welke afdeling de gevolgen van de toepassing van de schuldsaneringsregeling regelt – de schuldsanering eindigt door het aflopen van de termijn die ingevolge art. 349a voor de betrokken schuldsanering geldt.
Dit heeft onder meer tot gevolg dat bij de verkrijging door de schuldenaar van goederen na afloop van die termijn, het bepaalde in art. 295 lid 1 niet geldt en dat zulke verkrijgingen dus niet tot de in dat artikel bedoelde boedel behoren.
Daarnaast komt aan de beëindiging van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in 356 lid 2 de betekenis toe dat zij het einde van de afwikkeling van de schuldsanering markeert, waaronder de vereffening van de boedel, en het in werking treden van de in art. 358 lid 1 F. bedoelde schone lei (indien en voorzover van toepassing).”

Van een nagekomen bate was dus evenmin sprake, voegt de Hoge Raad nog toe. De vordering op de nalatenschap is immers ook pas na de driejaarstermijn ontstaan.

Share This