HR 15 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3143

In een procedure die volgt op een verzoek als bedoeld in art. 69 Fw (verzoekschrift tegen handeling curator) kan een veroordeling in de proceskosten worden uitgesproken, ook ambtshalve.

Achtergrond

Een van de concurrente schuldeisers in het faillissement van een vennootschap wilde met de curator onderhandelen over eventuele acties in verband met het handelen van beleidsbepalers. Deze schuldeiser, eiseres tot cassatie, heeft de rechter-commissaris (r-c) verzocht de curator daartoe een bevel te geven. De r-c heeft dit verzoek afgewezen en de rechtbank heeft het tegen deze beslissing ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank eiseres veroordeeld in de proceskosten, en die veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het middel kwam tegen deze kostenveroordeling op met een verwijzing naar HR 26 november 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4487, NJ 1983/442. In deze uitspraak had de Hoge Raad in een vergelijkbare procedure geoordeeld dat voor een kostenveroordeling als hier door de rechtbank uitgesproken, een grondslag in de wet ontbreekt.

De Hoge Raad

De Hoge Raad wijst op de rechtsontwikkeling sinds genoemd arrest, waarin ligt besloten dat de Hoge Raad is teruggekomen van deze rechtspraak, en citeert daarbij uit HR 11 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2721, NJ 2008/221.

In deze uitspraak uit 2008 had de Hoge Raad onder meer overwogen dat het tweede lid van art. 362 Fw, dat inhoudt dat de derde titel van Boek 1 Rv (De verzoekschriftprocedure in eerste aanleg) niet van toepassing is op verzoeken ingevolge de Faillissementswet, blijkens de parlementaire geschiedenis aan het artikel is toegevoegd (sinds 1 januari 2002) vanwege de specifieke rechtsgang in de Faillissementswet zelf. Daarom moest worden aangenomen dat dit art. 362 Fw er niet aan in de weg staat om overeenkomstig art. 289 Rv (uit de derde titel van boek 1) en art. 362 Rv (toepasselijkheid derde titel boek 1 in hoger beroep) een veroordeling in de proceskosten uit te spreken in het kader van een beslissing op een verzoek ingevolge de Faillissementswet. Of een rechter daartoe overgaat is aan zijn inzicht overgelaten.

Uit deze eerdere uitspraak vloeit volgens de Hoge Raad voort dat in een procedure die volgt op een verzoek als bedoeld in art. 69 Fw, zoals in onderhavige zaak, overeenkomstig art. 362 Rv in verbinding met art. 289, een veroordeling in de proceskosten kan worden uitgesproken, ook ambtshalve. De Hoge Raad maant tot terughoudendheid als het gaat om een proceskostenveroordeling ten laste van de failliet of de boedel. Een en ander geldt ook voor de uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Volgt verwerping van het cassatieberoep (en een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie).

Share This