Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Regel van art. 241c lid 2 Fw geldt niet ten behoeve van pandhouder van zaak van belastingschuldige

CB 2014-5 Geplaatst op 03 januari 2014 door

HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1910 (Rabobank Roermond-Echt c.s./mr. Deterink q.q.)

De regel van art. 241c lid 2 Fw – die de eigenaar van een bodemzaak onder omstandigheden bescherming biedt tegen een bodembeslag dat is gelegd tijdens de afkoelingsperiode in de surseance van de belastingschuldige – geldt niet (overeenkomstig) ten behoeve van de houder van een stil pandrecht op een bodemzaak die toebehoort aan de belastingschuldige. 

Deze prejudiciële beslissing gaat over de reikwijdte van art. 241c lid 2 Fw. Daarin is bepaald dat een beslag als bedoeld in art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990 – het bodembeslag van de fiscus – dat tijdens de afkoelingsperiode (in surseance van betaling) wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt en niet aan hem toebehoort, niet kan worden tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak of, als daarop een pandrecht rust, aan de ander, indien deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak.

Achtergrond

Op grond van het bodemrecht kan de Ontvanger zich verhalen op bepaalde zaken die zich bevinden op de bodem (bijvoorbeeld het bedrijfsterrein) van de belastingschuldige, maar toebehoren aan een derde (art. 22 lid 3 Iw). Op grond van het bodemvoorrecht kan de Ontvanger zich met voorrang boven de pandhouder verhalen op bepaalde zaken die toebehoren aan de belastingschuldige en zich bevinden op diens bodem (art. 21 lid 2 Iw). De derde en de pandhouder kunnen dit verhaal door de fiscus voorkomen door de desbetreffende zaken tijdig (dat wil zeggen: vóórdat de Ontvanger bodembeslag heeft gelegd en, wanneer het gaat om het bodemvoorrecht, vóórdat de belastingschuldige failliet is verklaard) uit de macht van de belastingschuldige te brengen (en dus te verwijderen van diens bodem).

Indien gedurende een surseance van betaling een afkoelingsperiode is gelast, kan de derde-rechthebbende, zoals de eigenaar, of de houder van een pandrecht op een zaak die niet aan de sursiet toebehoort, evenwel niet zijn bevoegdheid uitoefenen tot het opeisen van een zaak die zich in de macht van de sursiet bevindt. Hij kan de zaak dus niet uit de macht (en van de bodem) van de sursiet brengen. De Ontvanger is echter tijdens de afkoelingsperiode nog wel bevoegd om, zolang de desbetreffende zaak zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt, daarop bodembeslag te leggen, wat zou meebrengen dat de Ontvanger zich (in beginsel na beëindiging van de afkoelingsperiode) op die zaak kan verhalen. Dit verschil in de mogelijkheid tot het uitoefenen van bevoegdheden heeft de wetgever ertoe bewogen om, ter bescherming van de eigenaar (en pandhouder in vorenbedoelde bedoelde zin), art. 241c lid 2 Fw in te voeren (en voor faillissementssituaties art. 63c lid 2 Fw): door bij exploot tijdig aanspraak te maken op afgifte van de zaak kan hij verhaal door de Ontvanger (conform diens bodemrecht) voorkomen.

Prejudiciële vraag

In deze zaak is de vraag gerezen of art. 241c lid 2 Fw zodanig ruim moet worden uitgelegd dat de daarin vervatte regel óók ten dienste staat aan de houder van een pandrecht op een zaak die aan de sursiet/belastingschuldige toebehoort (en die zich gedurende de afkoelingsperiode op de bodem van de belastingschuldige bevindt). Deze vraag is ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing voorgelegd aan de Hoge Raad. Een bevestigend antwoord zou betekenen dat deze pandhouder, door bij exploot tijdig aanspraak te maken op afgifte van de betreffende zaak, verhaal door Ontvanger (conform diens bodemvoorrecht) kan voorkomen. De in deze zaak betrokken pandhouders hadden onder verwijzing naar het arrest Ontvanger/Singulus (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE7451) voor een dergelijk ruim toepassingsbereik van art. 241c lid 2 Fw gepleit. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een soortgelijke regel als neergelegd in art. 241c lid 2 Fw, mede gelet op de strekking van de afkoelingsperiode, reeds gold voordat deze bepaling was ingevoerd. Anders dan de Advocaat-Generaal volgt Hoge Raad dit betoog niet:

“3.6 Naar de bedoeling van de wetgever ziet art. 241c Fw uitsluitend op het geval van opeising van een aan een ander dan de belastingschuldige toebehorende zaak, en dus niet mede op het geval dat de houder van een stil pandrecht op een aan de belastingschuldige toebehorende zaak, deze op de voet van art. 3:237 lid 3 BW opeist. Dat volgt uit de tekst van art. 241c Fw: “Een beslag als bedoeld in art. 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem van de gefailleerde (schuldenaar) bevindt en die niet aan hem toebehoort“. Het volgt ook uit de daarop (mede in verbinding met art. 63c Fw) gegeven toelichting: “67: Deze zaken vallen niet in de boedel; 68: Indien de Ontvanger na de faillietverklaring bodembeslag legt, zou hij zich met voorrang boven de eigenaar kunnen verhalen op de zaken; 69: Aldus kan geen discussie ontstaan over het tijdstip waarop de eigenaar de zaak opeist.

[De door de Hoge Raad gebruikte cursiveringen zijn vervangen door onderstrepingen]

3.7 Ook overigens bestaat onvoldoende aanleiding om art. 241c lid 2 Fw in een geval als het onderhavige (overeenkomstig) toe te passen. Tussen het onderhavige, en het in de zaak Singulus/Memox berechte, geval bestaat immers het wezenlijke verschil dat in het Singulusarrest de zaak van een derde-eigenaar tegen diens wil “instond voor” de belastingschulden van zijn contractuele wederpartij, terwijl het in het onderhavige geval gaat om een zaak van de belastingschuldige zelf en de ontvanger daarop dus, evenals iedere andere schuldeiser, verhaal heeft op de voet van art. 3:276 BW.”

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat de recente invoering van art. 22bis Iw – waarmee beoogd is het bodem(voor)recht te versterken, als gevolg waarvan de door art. 241c lid 2 Fw aan eigenaren geboden bescherming wordt ingeperkt – te minder aanleiding geeft art. 241c lid 2 Fw overeenkomstig van toepassing te achten op het onderhavige geval. Het antwoord op de prejudiciële vraag is dan ook dat de in art. 241c lid 2 Fw neergelegde regel niet (overeenkomstig) geldt ten behoeve van de houder van een stil pandrecht op een zaak van de belastingschuldige.

De Staat en de Ontvanger, die in deze prejudiciële procedure schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, zijn bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur.

email print