HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:278

Indien een verhuurder na faillissement van zijn huurder gerechtigd is om leegstandschade onder een bankgarantie te claimen brengt de omstandigheid dat de bank, nadat zij aan haar betalingsverplichting ter zake had voldaan, verhaal heeft genomen op de faillissementsboedel en dat de curator zich hiertegen niet heeft verzet, niet mee dat de verhuurder ongerechtvaardigd is verrijkt ten laste van de boedel.

Een beding dat de verhuurder aanspraak geeft op vergoeding van schade die het gevolg is van het faillissement van de huurder – doorgaans: leegstandschade – sorteert geen effect jegens de boedel indien de curator de huurovereenkomst opzegt op de voet van art. 39 Fw. Dit bepaalde de Hoge Raad in het Aukema q.q.-Uni-Invest-arrest van HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3534, NJ 2011/114.

In het arrest X/Romania Beheer van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1244, NJ 2014/68, oordeelde de Hoge Raad vervolgens dat een dergelijke insolventieclausule in deze situatie niettemin rechtsgeldig is en wel kan worden ingeroepen  jegens de gefailleerde huurder zelf en jegens de derde die zich garant heeft gesteld. Een eventuele regresvordering van deze derde is echter niet verifieerbaar. Zie de bespreking van dit arrest hier op dit blog.

In de onderhavige zaak ging het om een toepassing van de regel uit het arrest X/Romania Beheer.

Na het faillissement van huurder zegt de curator de huurovereenkomst op met toepassing van art. 39 Fw . Verhuurder doet een beroep op de insolventieclausule uit het huurcontract en verhaalt zijn leegstandschade vervolgens op de bank die zich voor de nakoming van die clausule garant heeft gesteld. Op basis van de contra-garantie verhaalt de bank zich vervolgens door middel van verrekening op de faillissementsboedel. De curator verzet zich niet tegen deze gang van zaken. Later stelt hij zich op het standpunt dat verhuurder ongerechtvaardigd is verrijkt. Dat standpunt vindt gehoor bij de appelrechter.

Dit oordeel gaat in cassatie over de kop. De Hoge Raad overweegt:

4.2 [Verhuurder] heeft gesteld dat zij gerechtigd was de leegstandschade onder de bankgarantie te claimen. Het hof is in zijn rov. 3.3 (…) van de juistheid van deze stelling uitgegaan, zodat deze ook in cassatie tot uitgangspunt dient. Gegeven dit uitgangspunt, brengt de omstandigheid dat ABN AMRO, nadat zij aan haar betalingsverplichting ter zake had voldaan, verhaal heeft genomen op de boedel van Bouwgros – dit in weerwil van hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen – en dat de curator zich hiertegen niet heeft verzet, niet mee dat [verhuurder] ongerechtvaardigd is verrijkt ten laste van de boedel. De ontvangst van een betaling waarop [verhuurder] (volgens genoemd uitgangspunt) in haar verhouding tot ABN AMRO gerechtigd was, werd immers niet ongerechtvaardigd doordat ABN AMRO verhaal nam op de boedel en de curator dit niet verhinderde.”

Share This