HR 19 jul 2019 ECLI:NL:HR:2019:1239

Een in Spanje verleden authentieke akte heeft in Nederland in beginsel dezelfde bewijskracht als in Spanje. De echtheid van een dergelijke akte kan blijkens art. 59 lid 2 van de Europese Erfrechtverordening alleen worden aangevochten voor een gerecht van de lidstaat van herkomst.

Het gaat om de voortzetting van de zaak waarin de Hoge Raad in een arrest van 2 februari 2018 (CB 2018-32) naar aanleiding van een exceptief verweer, inhoudende dat het cassatieberoep, ingesteld door betrokkene en haar tutor in zijn hoedanigheid van haar wettelijk vertegenwoordiger (in het kader van een ondercuratelestelling naar Spaans recht, een tutela) niet-ontvankelijk was, verschillende vragen heeft beantwoord over de gevolgen van de tutela voor – kort weergegeven – de procesbekwaamheid en –bevoegdheid. De tutor werd ontvankelijk geacht, betrokkene niet. Enkele maanden na dit arrest in het incident is betrokkene overleden. Haar zonen hebben verweerders in cassatie aangezegd dat zij de procedure als de erfgenamen van betrokkene zullen voortzetten.

Opvolging in de procedure van niet-ontvankelijk verklaarde betrokkene?

De eerste vraag is: kunnen de zonen betrokkene in de procedure opvolgen, nu betrokkene eerder niet-ontvankelijk was verklaard in haar cassatieberoep?

Die vraag beantwoordt de Hoge Raad bevestigend. De tutela is van rechtswege geëindigd, de tutor heeft daarmee van rechtswege zijn hoedanigheid van tutor verloren. Zijn hoedanigheid als formele procespartij gaat echter pas verloren als de procedure is geschorst en door een andere partij is hervat (art. 225 lid 1, aanhef en onder c Rv en art. 227 lid 1, aanhef en onder a Rv). Indien de zonen kunnen worden aangemerkt als de gezamenlijke erfgenamen van betrokkene, waren zij bevoegd de procedure te doen schorsen en te hervatten. Daaraan staat de eerdere niet-ontvankelijkheid van betrokkene niet in de weg, nu deze niet-ontvankelijkverklaring berustte op het bestaan van de tutela. Deze grond is met het overlijden van betrokkene komen te vervallen, aldus de Hoge Raad.

Zijn de zonen erfgenaam? De betekenis van een Spaanse akte van erfrecht

De tweede vraag is of de zonen hebben aangetoond erfgenaam te zijn. Zij hebben zich hiertoe beroepen op een door een notaris in Spanje opgemaakte ‘Acta de declaración de notoriedad de herederos’.

Dat document is volgens de Hoge Raad voldoende. De Hoge Raad wijst op art. 59 lid 1 van de Europese Erfrechtverordening (hierna: EEV), op grond waarvan een in Spanje verleden authentieke akte in Nederland in beginsel dezelfde bewijskracht heeft als in Spanje. De echtheid van een dergelijke akte kan blijkens art. 59 lid 2 EEV alleen voor een gerecht van de lidstaat van herkomst worden aangevochten. Gesteld noch gebleken is dat verweerders van deze laatste mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. In deze procedure dient dan ook te worden uitgegaan van de juistheid van de in Spanje opgemaakte akte, waarin wordt geconstateerd dat de zonen van betrokkene op grond van de wet als haar enige erfgenamen moeten worden aangemerkt.

Een en ander betekent dat de zonen betrokkene in de cassatieprocedure hebben opgevolgd als procespartij.

Kon betrokkene in haar hoger beroep worden ontvangen?

Inhoudelijk lag in cassatie (onder meer) de vraag voor of het hof terecht had geoordeeld dat betrokkene in haar hoger beroep niet ontvankelijk was omdat zij niet zelfstandig in hoger beroep kon optreden.

Het middel leidt niet tot cassatie van dat oordeel. Niet alleen voor het instellen van het cassatieberoep, maar ook voor het instellen van het hoger beroep door de tutor was een machtiging van de kantonrechter vereist. De kantonrechter heeft de tutor in augustus 2017 alsnog machtiging verleend voor het reeds door betrokkene ingestelde cassatieberoep, maar deze machtiging uitdrukkelijk beperkt tot het cassatieberoep. Deze bestrijkt dus niet ook het hoger beroep.

De Hoge Raad merkt nog op dat het hof de tutor in de gelegenheid had kunnen stellen alsnog de eerder bedoelde machtiging te vragen, hetgeen ertoe had kunnen leiden dat de tutor bevoegd werd de proceshandelingen in hoger beroep van betrokkene te bekrachtigen zodat die handelingen zouden zijn aangemerkt als proceshandelingen van de tutor. Het hof heeft die gelegenheid echter niet willen bieden. De tegen dit oordeel gerichte klacht berustte volgens de Hoge Raad uitsluitend op het betoog dat de tutor naar Nederlands recht geen rechterlijke machtiging nodig had om het instellen van het hoger beroep te kunnen bekrachtigen. Dat betoog is echter niet juist.

Geen belang incidenteel cassatieberoep over conservatoir beslag

De Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep. Daarmee gaat de afwijzing van de eis door de rechtbank in kracht van gewijsde. Dat betekent dat het conservatoir beslag ten laste van verweerders van rechtswege komt te vervallen. Daarmee hebben verweerders geen belang meer bij hun vorderingen en verzoek aan de Hoge Raad die zagen op dit beslag.

Volgt verwerping van het principale en incidentele beroep.

Share This