Selecteer een pagina

HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:230

Wanneer een Curaçaose rechter internationaal bevoegd is te oordelen over een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden, dan is hij óók bevoegd ten aanzien van de overige gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 103 Rv Curaçao. Nu de regels van internationaal bevoegdheidsrecht van openbare orde zijn, dient een rechter deze bepaling ambtshalve toe te passen.

Feiten & procesverloop

FCIB is een kredietstelling in Curaçao die vanaf medio 2006 verwikkeld raakt in een strafrechtelijk onderzoek in Groot-Brittannië en Nederland. Een deel van haar rekeninghouders is betrokken bij belastingfraude. Hangende het Britse onderzoek schort FCIB haar verplichting om banksaldi aan deze rekeninghouders uit te betalen op, omdat zij door fraude te plegen misbruik zouden hebben gemaakt van de bankrekening. De rekeninghouders stellen op hun beurt FCIB aansprakelijk voor het actief mogelijk maken van belastingfraude. De FCIB en de liquidators (verweerder 1 tot en met 3) van een deel van de in Engeland gevestigde rekeninghouders (verder: de English Claimants) treden vervolgens in onderhandeling over een minnelijke schikking. Dat mondt uit in een aantal Settlement Agreements. FCIB verplicht zich tot uitkering aan deze rekeninghouders maar eist dat er verder kwijtschelding plaatsvindt. Een jaar later probeert een van de liquidators (verweerder 1) in het faillissement van de aan de FCIB gelieerde vennootschap TWPS, waarvan hij zelf ook weer liquidator is, toch een deel van de kwijtgescholden claims van de English Claimants via een juridische omweg te verhalen op FCIB.

FCIB vordert daarop bij de Curaçaose rechter onder meer (I) voor recht te verklaren dat FCIB niets verschuldigd is aan TWPS en ook niet aan verweerder 1 als liquidator van TWPS, (II) voor recht te verklaren dat de English Claimants en hun liquidators zijn tekortgeschoten in de nakoming van de Settlement Agreements en/of onrechtmatig jegens FCIB hebben gehandeld en (III) de liquidators, de English Claimants en enkele andere rekeninghouders te gebieden de Settlement Agreements na te komen. De liquidators en de English Claimants stellen zich op het standpunt dat de Curaçaose rechter niet bevoegd is ten aanzien van deze vorderingen. Het Gemeenschappelijk Hof (r.o. 2.15) acht zich niet bevoegd om te oordelen dat de liquidators en de English Claimants zijn tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingovereenkomst (vordering II). Het Hof acht zich wél bevoegd om te oordelen over de gevorderde verklaring voor recht dat FCIB niets verschuldigd is aan TWPS (een deel van vordering I) en om te oordelen over de nakomingsvordering jegens enkele andere rekeninghouders (vordering III).

Een samenhang tussen gedaagden

In cassatie klaagt FCIB onder meer dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom artikel 103 Rv Curaçao (vergelijk ook: art. 7 lid 1 Rv in het Nederlandse recht) niet van toepassing is, terwijl FCIB zich daarop wel heeft beroepen. Dit artikel bepaalt dat indien een rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

De Hoge Raad (r.o. 3.2) stelt voorop dat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht van openbare orde zijn. Dit betekent dat de rechter is gehouden ambtshalve de internationale rechtsmacht aan een onderzoek te onderwerpen (zie HR 12 april 2019 CB 2019-60). De rechter die onderzoekt of hem internationale rechtsmacht toekomt, dient zich bij dit onderzoek niet te beperken tot de stellingen van de eisende of verzoekende partij, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Wel geldt in dit verband de beperking dat indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, de rechter in het kader van de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering.

De motiveringsklacht slaagt daarom volgens de Hoge Raad (r.o. 3.3.1-3.3.2). FCIB heeft voor het geval dat het hof tot het oordeel zou komen dat de rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van een vordering op de andere door haar aangevoerde gronden, aangevoerd dat het hof op grond van art. 103 Rv Curaçao bevoegd is om van de vorderingen jegens alle gedaagden kennis te nemen. Hoewel het Hof voor de vorderingen onder I en III wel (deels) rechtsmacht heeft aangenomen, is het bij de beoordeling van de rechtsmacht ten aanzien van vordering II, voor zover gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming, niet kenbaar op dit betoog ingegaan, nog daargelaten dat het deze bevoegdheidsgrond ook ambtshalve in de beoordeling moest betrekken.

Handlungsort

Het FCIB richt ook slagende motiveringsklachten tegen het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof (r.o. 2.17) dat het niet bevoegd is te oordelen over FCIB’s vordering op de liquidators en de English Claimants uit onrechtmatige daad. Het Hof had overwogen dat tussen partijen geen discussie bestaat over het feit dat het ‘Handlungsort’ – de plaats waar de onrechtmatige gedraging heeft plaatsgevonden – van een eventuele onrechtmatige daad van de liquidators en de English Claimants in het Verenigd Koninkrijk lag. FCIB had echter aangevoerd dat het ‘Handlungsort’ ook in Curaçao lag, omdat de liquidators daar de indruk hebben gewekt dat de onderhandelingen tot een finale regeling zouden leiden. Ook had FCIB gesteld dat het ‘Handlungsort’ (deels) in Curaçao is gelegen omdat de English Claimants bankrekeningen hadden in Curaçao en hun vorderingen daarmee verband houden. Hier had het hof volgens de Hoge Raad op moeten ingaan.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof en verwijst het geding terug naar dit hof voor verdere behandeling.

Share This