HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566

De criteria voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 10 jo. 767 Rv (“forum arresti“) zijn als volgt:
(i) De voorzieningenrechter heeft op grond van art. 765 Rv verlof verleend tot het leggen van conservatoir vreemdelingenbeslag en er is met gebruikmaking van dat beslagverlof daadwerkelijk beslag gelegd;
(ii) Het geding vormt de eis in de hoofdzaak in de zin van art. 767 Rv;
(iii) Aan de Nederlandse rechter komt niet reeds rechtsmacht toe op een andere grondslag, zoals de art. 2-9 Rv;
(iv) De beslaglegger kan niet door middel van een procedure bij een buitenlandse overheidsrechter een uitspraak kan verkrijgen die op grond van een EU-verordening of een verdrag vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland. Bij dit criterium moet worden gedacht aan toepasselijke verdragen of forumkeuzebedingen.

De achtergrond van deze zaak betreft de koop van marmeren beelden van Hindoestaanse goden door de Stichting bij een Indiaas bedrijf. De Stichting had verweerder in cassatie gevraagd om in India te bemiddelen bij de aankoop van deze – zogeheten – “moorties”. Toen de beelden in de haven van Rotterdam arriveerden is de originele Bill of Lading (ook wel een cognossement: een belangrijk vervoersdocument en waardepapier) aan verweerder verstrekt en verweerder weigerde de Bill of Lading aan de Stichting (als rechtmatige rechthebbende) af te geven. De voorzieningenrechter heeft verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op een in Nederland gehouden rekening van verweerder en een registergoed in Rotterdam. In een kortgedingprocedure die draaide om de daadwerkelijke afgifte van de Bill of Lading heeft de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaard. Uiteindelijk zijn de beelden na een vrijwaringsverklaring van het Indiase bedrijf vrijgegeven. De Stichting heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt en daarin onder meer vergoeding van de geleden schade door verweerder gevorderd. Verweerder heeft een beroep gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank, maar dat beroep is afgewezen. In hoger beroep is door het hof geoordeeld dat bevoegdheid ontbreekt en tegen dat arrest heeft de Stichting cassatie ingesteld.

Inzet en kern van de cassatie is dat het hof heeft miskend dat de rechter ambtshalve dient te onderzoeken of hem rechtsmacht toekomt op grond van art. 10 Rv jo. art 767 Rv en dat hij daarbij alle hem ter beschikking staande gegevens in zijn oordeel dient te betrekken en niet is gebonden aan de gronden die de eisende dan wel verwerende partij heeft aangevoerd. De klachten in cassatie slagen en de Hoge Raad doet de zaak zelf af. Dat wordt als volgt gemotiveerd.

In de eerste plaats stelt de Hoge Raad voorop dat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht van openbare orde zijn. Dit betekent dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep is gehouden ambtshalve de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan een onderzoek te onderwerpen. Voor de rechter in hoger beroep geldt deze verplichting ook indien geen van de partijen zich over de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter heeft uitgelaten, en tevens indien die vraag buiten de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied van de rechtsstrijd in hoger beroep valt (r.o. 3.4.3). Dit geldt zowel onder de Brussel I-bis-verordening (ook wel: EEX-Vo II) als onder het commune internationale privaatrecht (zie ook: HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077 besproken op CB 2015-73).

In de tweede plaats stelt de Hoge Raad voorop dat de rechter onder de Brussel I-bis-verordening alsook onder het commune privaatrecht zich bij het onderzoeken van zijn rechtsmacht niet mag beperken tot de stellingen van de eisende partij, maar ook acht moet slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij (zie daarvoor: HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, door de auteur besproken op CB 2019-50).

In de derde plaats stelt de Hoge Raad het een en ander voorop over de mogelijkheid van het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 10 jo. art. 767 Rv. Art. 765 Rv staat toe dat ten laste van een schuldenaar die geen bekende woonplaats in Nederland heeft, conservatoir beslag wordt gelegd op in Nederland gelegen goederen van die schuldenaar. Bij gebreke van een andere weg om een executoriale titel in Nederland te verkrijgen, kan de eis in de hoofdzaak worden ingesteld voor de rechtbank waarvan de voorzieningenrechter het verlof tot het gelegde of het tegen zekerstelling voorkomen of opgeheven beslag heeft verleend. Aan de rechter van dit zogeheten beslagforum (forum arresti) komt op grond van art. 10 Rv in verbinding met art. 767 Rv internationale rechtsmacht toe. Art. 767 Rv heeft tot doel rechtsmacht te scheppen voor de Nederlandse rechter in zaken waarin anders geen bevoegde rechter in Nederland zou zijn aangewezen, terwijl in Nederland voor de schuldeiser wel verhaalsmogelijkheden bestaan (HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3741).

Uit de overwegingen in r.o. 3.4.5, 3.5.1, 3.5.2 en 3.7 kan worden afgeleid dat dit de criteria zijn voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 10 jo. 767 Rv:

(i) De voorzieningenrechter heeft op grond van art. 765 Rv verlof verleend tot het leggen van conservatoir (“vreemdelingen”-)beslag en er is met gebruikmaking van dat beslagverlof daadwerkelijk beslag gelegd;
(ii) Het geding vormt de eis in de hoofdzaak in de zin van art. 767 Rv;
(iii) Aan de Nederlandse rechter komt niet reeds rechtsmacht toe op een andere grondslag, zoals de art. 2-9 Rv;
(iv) De beslaglegger kan niet door middel van een procedure bij een buitenlandse overheidsrechter een uitspraak verkrijgen die op grond van een EU-verordening of een verdrag vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland (zie nader de conclusie van de A-G onder 2.14). Bij dit criterium moet worden gedacht aan toepasselijke verdragen of forumkeuzebedingen.

De Hoge Raad leidt zelf uit de stukken af dat voldaan is aan de voorwaarden (vgl. r.o. 3.7 en de op dit punt contraire conclusie van de A-G, par. 2.17-2.18). Hij merkt nog op dat op grond van deze vereisten de rechtbank Rotterdam bevoegd is, maar omdat verweerder zich niet heeft beroepen op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland, blijft verwijzing naar Rotterdam achterwege. De Hoge Raad bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland en verstaat dit vonnis aldus dat de rechtsmacht van de rechtbank om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting berust op art. 10 Rv jo. art. 767 Rv. 

Share This