HR 21 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2377

De gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt en met inachtneming van de op dat moment in het Koninkrijk geldende wetgeving. 

Over het vraagstuk van de (internationaalprivaatrechtelijke) openbare orde in relatie tot verkrijging van het Nederlanderschap heeft de Hoge Raad zich in 2017 en 2018 uitgelaten in het kader van de beantwoording van prejudiciële vragen. In HR 19 mei 2017 (CB 2017-101) ging het om een beletsel in verband met geboorte uit een huwelijk van een Nederlandse man met een tweede (Marokkaanse) vrouw, aan welk huwelijk later het polygame karakter was ontvallen door ontbinding van het eerdere huwelijk. HR 19 januari 2018 (CB 2018-28) zag op erkenning door een met een andere vrouw dan de moeder van het kind gehuwde man.

Rode draad in beide zaken is dat het tijdstip op grond waarvan volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) de Nederlandse nationaliteit zou zijn verkregen, bepalend is voor de relevante feiten en het toepasselijk recht, inclusief de bepalingen over openbare orde. Noch het uit een Marokkaanse vrouw geboren kind, noch het uit een Dominicaanse vrouw geboren kind had zodoende (door geboorte respectievelijk door erkenning) van rechtswege het Nederlanderschap verkregen.

Onderhavige uitspraak is gedaan in een gewoon cassatieberoep. Een Nederlandse man had verzocht de in de Democratische Republiek Congo (DRC) opgemaakte geboorteakten van twee kinderen in te schrijven in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag, met vermelding dat hij de kinderen (in de DRC) had erkend. Dat kon alleen als de kinderen de Nederlandse nationaliteit bezaten. De echtgenote van de man was niet de moeder van de kinderen.
Het verzoek van de man in deze procedure strekte ertoe de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de akten in te schrijven als verzocht. Rechtbank en hof hadden het verzoek toegewezen. De uitspraak van het hof blijft in cassatie niet in stand.

De Hoge Raad overweegt dat ingevolge art. 4 RWN een minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend, van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt, ongeacht of sprake is van een erkenning die in het Koninkrijk is gedaan, dan wel van een in het buitenland gedane erkenning die voor erkenning in het Koninkrijk in aanmerking komt. De verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge art. 4 RWN vindt plaats op het tijdstip van de (in het Koninkrijk dan wel in het buitenland gedane) erkenning. Ingevolge art. 2 lid 1 RWN heeft de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht.

Een en ander betekent volgens de Hoge Raad dat de gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt en met inachtneming van de op dat moment in het Koninkrijk geldende wetgeving. Dit stelsel van de RWN dient het belang dat vanaf de erkenning van de minderjarige voor alle betrokken personen en voor de Staat zekerheid bestaat omtrent het mogelijke Nederlanderschap van die minderjarige op grond van zijn erkenning door een Nederlander, waarbij de Hoge Raad verwijst naar zijn hiervoor genoemde uitspraak van 19 januari 2018 en de in die uitspraak genoemde rechtspraak.

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof, dat zal hebben te onderzoeken of aannemelijk is dat tussen de man en de minderjarige ten tijde van de erkenning een nauwe persoonlijke betrekking bestond als bedoeld in art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, (oud) BW [op grond waarvan destijds een uitzondering kon worden gemaakt op het algehele erkenningsverbod voor de gehuwde man].

Share This