HR 31 oktober 2014,  ECLI:NL:HR:2014:3070

De vraag of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt om in geval van een buiten de EU wonend Nederlands kind vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van dit kind, dient te worden beantwoord aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

De Paspoortwet biedt in art. 34, tweede lid, aan de ouder die met het gezag is belast de mogelijkheid aan de rechter vervangende toestemming te vragen voor het aanvragen van een paspoort ten behoeve van een minderjarige indien de andere met gezag belaste ouder toestemming weigert.

Een Nederlandse man had aan de rechtbank te Alkmaar deze vervangende toestemming gevraagd. Hij wilde een Nederlands paspoort aanvragen voor zijn op Curaçao geboren dochter. Deze dochter werd al ruim vijftien jaar in de Dominicaanse Republiek opgevoed door de grootmoeder van moeders zijde. Met de moeder hadden de man en het kind al jarenlang geen contact.

De rechtbank had zich op basis van regels van nationaal procesrecht onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek van de man. Het hof had die beschikking bekrachtigd. Rechtbank en hof oordeelden dat geen bevoegdheid kon worden ontleend aan art. 5 Rv omdat de minderjarige haar gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft en de zaak – samengevat – onvoldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer. Art. 9 Rv bood evenmin grond voor bevoegdheid omdat de man had nagelaten te onderbouwen dat een gerechtelijke procedure buiten Nederland onmogelijk was.

De Hoge Raad overweegt allereerst dat uit de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet volgt dat de regeling van de vervangende toestemming op de voet van art. 34 lid 2 van de Paspoortwet moet worden aangemerkt als een regeling van het ouderlijk gezag bij geschillen tussen de ouders (art. 1:253a BW). Als de rechter de hier bedoelde toestemming verleent, mengt hij zich in de uitoefening van het ouderlijk gezag.

De vraag of de Nederlandse rechter in het onderhavige geval internationale bevoegdheid toekomt om op de voet van art. 34 lid 2 Paspoortwet vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een paspoort ten behoeve van de minderjarige, dient volgens de Hoge Raad te worden beantwoord aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.

De Hoge Raad toetst vervolgens wat toepasselijkheid van dit verdrag betekent. Uitgangspunt is bevoegdheid van de Dominicaanse rechter (rov. 3.6.1). De Hoge Raad wijst echter op een mogelijkheid tot toedeling van bevoegdheid aan de Nederlandse rechter:

“3.6.2 Uit art. 9 lid 1 in verbinding met art. 8 lid 2, aanhef en onder a, HKbV 1996 vloeit echter voort dat de Nederlandse rechter – de rechter van de verdragsluitende staat waarvan [het kind] (mede) de nationaliteit bezit – onder bepaalde voorwaarden bevoegd kan worden om door hem noodzakelijk geachte beschermende maatregelen te nemen. Daartoe is in de eerste plaats vereist dat de Nederlandse rechter van oordeel is dat hij in dit geval beter in staat is het belang van [het kind] te beoordelen (art. 9 lid 1 HKbV 1996). Voorts is vereist dat de autoriteit van de Dominicaanse Republiek – de verdragsluitende staat waar [het kind] haar gewone verblijfplaats heeft – een verzoek van de Nederlandse rechter inwilligt hem te machtigen de bevoegdheid uit te oefenen om door hem noodzakelijk geachte beschermende maatregelen te nemen (art. 9 lid 3 HKbV 1996).

Met het oog op deze toedeling van bevoegdheid kan de Nederlandse rechter in overleg treden met de bevoegde autoriteit van de Dominicaanse Republiek, zo nodig door tussenkomst van de Centrale Autoriteit van die Staat (art. 9 lid 1 HKbV 1996).

Is aan de vermelde voorwaarden voldaan, dan kan de Nederlandse rechter op grond van art. 9 HKbV 1996 de bevoegdheid uitoefenen om door hem noodzakelijk geachte beschermende maatregelen te nemen, waaronder het op de voet van art. 34 lid 2 Paspoortwet verlenen van vervangende toestemming voor de aanvraag van een paspoort ten behoeve van [het kind].”

Dit alles kan deze zaak niet meer baten. Het middel was slechts opgekomen tegen de toepassing van de artt. 5 en 9 Rv. Nu deze bepalingen toepassing missen, kan het middel niet tot cassatie leiden.

Share This