Selecteer een pagina

HR 21 december 2012, LJN BX9019 (Commissariaat voor de Media/SplinQ)

Een “cashback”-systeem waarin een beloning in de vorm van een tegoed wordt gegeven aan kopers die boeken kopen van verkopers die via de website van SplinQ adverteren, is niet in strijd met de Wet op de vaste boekenprijs

SplinQ, de verweerder in cassatie in deze zaak, exploiteert websites waarop bedrijven voor allerlei producten kunnen adverteren. De advertenties bevatten een link naar de website van die bedrijven, waar consumenten vervolgens hun bestelling kunnen plaatsen. De advertenties op de websites van SplinQ worden (gedeeltelijk) aangebracht door speciale marketingbedrijven, zogeheten netwerkplatforms. Deze netwerkplatforms krijgen van webwinkels opdracht om advertenties op internet te plaatsen en kopen advertentieruimte in bij websites zoals die van SplinQ.

De websites van SplinQ kennen een zogeheten “cashback”-faciliteit. Dit houdt in dat bezoekers die zich bij SplinQ registreren, van SplinQ een deel van de koopprijs terugontvangen voor het product dat zij hebben gekocht bij via een advertentie op de website van SplinQ. Met de terugontvangen bedragen kan een tegoed worden opgebouwd, dat wordt uitbetaald zodra het minimaal € 15 bedraagt. SplinQ betaalt deze teruggave uit de advertentie-inkomsten die zij ontvangt (in de regel is de teruggave de helft van de advertentie-inkomsten).

Op de websites van SplinQ wordt ook geadverteerd door verschillende boekverkopers, die aan twee netwerkplatforms opdracht hebben gegeven tot het plaatsen van advertenties voor hun webwinkel. De consumenten die via deze advertenties een boek kopen, ontvangen eveneens van SplinQ een deel van de koopprijs terug via het cashback-systeem van SplinQ.

Het Commissariaat voor de Media heeft zich op het standpunt gesteld dat deze gang van zaken in strijd komt met art. 6 van de Wet op de vaste boekenprijs (Wvbp). Hierin is bepaald dat de verkoper van een boek bij verkoop aan een ‘eindafnemer’ een vaste prijs moet toepassen. Deze vaste prijs wordt vastgesteld door de uitgever voor boeken die hij voor het eerst in een bepaalde uitvoering in Nederland uitgeeft (art. 2 Wvbp) en geldt voor de duur van ten minste een jaar (art. 7 Wvbp).

In deze procedure tegen het Commissariaat voor de Media vordert SplinQ een verklaring voor recht dat boekverkoper niet in strijd met de Wvbp handelen door op de websites van SplinQ te adverteren. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, maar het hof heeft haar toegewezen. Hiertegen richt zich het cassatieberoep van het Commissariaat. Daarin wordt geklaagd dat boekverkopers die via advertenties op de websites van SplinQ boeken verkopen, wel degelijk in strijd handelen met de Wvbp. Door het cashback-systeem van SplinQ ontvangen de kopers van boeken immers een de facto een zekere korting op de vaste boekenprijs, en dat is volgens het Commissariaat in strijd met de Wvbp.

De Hoge Raad stelt voorop dat het hof bij zijn oordeel

“terecht tot uitgangspunt [heeft] genomen dat de Wvbp regels geeft voor de prijsvorming van boeken ter voorkoming van prijsconcurrentie, met het oog op de brede beschikbaarheid van het boek, de diversiteit en pluriformiteit van de daarin vervatte informatie en de toegankelijkheid daarvan in aanbod, in keuze en in afname (…).Die doelstelling zou volgens de wetgever door prijsconcurrentie worden ondergraven, reden waarom hij door middel van de vaste boekenprijs prijsconcurrentie in het boekenvak beoogt tegen te gaan.”

Eveneens juist is volgens de Hoge Raad het oordeel van het hof dat het systeem van de vaste boekenprijs in beginsel een inbreuk vormt op de beginselen van de vrije mededinging en het vrij verkeer van goederen en diensten die ten grondslag liggen aan het handelsverkeer in de Europese Unie, zodat het niet in de rede ligt de wettelijke regeling extensief uit te leggen. Een extensieve uitleg van de Wvbp, waardoor de boekverkoper verantwoordelijk wordt voor het door een derde (SplinQ) toegepaste beloningssysteem, zou volgens de Hoge Raad ook op gespannen voet staan met de beginselen van rechtszekerheid en legaliteit.

Tegen deze achtergrond is het in cassatie bestreden oordeel van het hof volgens de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk. Het hof heeft geoordeeld dat in de verhouding tussen de boekverkoper en de eindafnemer een transactie tot stand komt waarbij het boek voor de vaste prijs wordt verkocht (de koper koopt het boek immers via de website van de verkoper voor de gewone vastgestelde prijs). Dat de eindafnemer/koper van SplinQ als “derde” vervolgens een beloning ontvangt (bestaande uit een teruggave van een deel van de advertentieopbrengst door SplinQ) doet daaraan niet af. Naar het oordeel van de Hoge Raad biedt de Wvbp ook geen wettelijke grondslag om te kunnen aannemen dat de verantwoordelijkheid van de boekverkoper onder de Wvbp zich ook zou uitstrekken tot de handelwijze van SplinQ. Met deze (vrij beknopt geformuleerde) overwegingen volgt de Hoge Raad het uitgebreider gemotiveerde oordeel van zijn A-G Huydecoper. Deze zet in zijn conclusie uiteen dat het systeem van SplinQ niet rechtstreeks maar hooguit indirect inbreuk maakt op de Wvbp; naar zijn oordeel is daarbij geen sprake van een wezenlijke doorkruising van de doelstellingen van de Wvbp, mede gezien het relatief beperkte voordeel dat kopers van boeken via het systeem van SplinQ ontvangen.

Het Commissariaat is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en Ines Blomsma en in feitelijke instanties door Arnoud Boorsma en Berend Jan Drijber.

Share This